Porno is tegenwoordig overal en nergens aanwezig en bereikbaar, en taboes zijn er niet veel meer over. Laatst was iemand zo vriendelijk mij te confronteren met een afbeelding in Japanse tekenfilmstijl van iemand die zich aan alle kanten liet *** Ik wist in eerste instantie letterlijk niet wat ik zag op dat plaatje. ‘Hou ik het wel rechtop?’ vroeg ik mij zelfs even af.
Toen het mij eenmaal begon te dagen waar ik naar keek betrapte ik mij erop dat ik niet eens geschokt was. Ook niet geprikkeld, trouwens. Eerder technisch geïnteresseerd in het vakmanschap van de tekenaar. Het was zo knap gemaakt dat het nog een hele speurtocht werd te zien waar op dat plaatje nou precies de scheiding lag tussen mens en dier.
Grappig, als je bedenkt dat dat is wat porno bij uitstek doet: laten zien dat er nou ook weer niet zóveel verschil is tussen mens en dier. Zoals mijn kat er automatisch kwijlend aan komt rennen als ik een blikje opentrek, ook al zitten er in feite geen sardientjes maar halve perziken in - zo schopt alleen al de simpele suggestie van gesop in een warm vochtig holletje bij mensen onmiddellijk de hormoonhuishouding in de knoop.
Natuurlijk is dat effect niet oneindig. Stel dat ik de godganselijke dag blikken met perziken open zou staan te trekken. Stel dat ik alleen nog maar perzik uit blik zou vreten. Dan zou het snel voorbij zijn met de warme interesse van mijn kat. Als je maar vaak genoeg loopt te kwijlen zonder dat je daarna ook werkelijk een sardientje krijgt, is de lol eraf. Er zijn dan steeds sterkere suggesties nodig om de sappen te laten stromen.
Over hoe dit bij mensen werkt is al zat geschreven en gezegd, het komt erop neer dat, als je maar genoeg op een rare manier loopt te zieken met je prikkel- en beloningssysteem, je je uiteindelijk zelfs niet meer bevredigd voelt als je écht dat sardientje krijgt. En dan wanhopig op zoek gaat naar steeds vreemdere, en vaak ook agressievere vormen van prikkeling.
Zoals die octopus. Mensen die alleen nog opgewonden raken van volwassenen in luiers of transmannen met geblondeerd haar en een staart of oma’s met een onderbroek op de kop. Of zelfs alleen nog van boze en liefdeloze dingen. Super-specifieke prikkels. Oorverdovende stimulering van nou net dat ene specifieke puntje dat in jouw dierlijke zelf nou toevallig het meest gevoelig is.
Stimulering die zelfs niet meer verwijst naar iets dat in de werkelijkheid bestaat en waarnaar je zou kunnen verlangen. Op dat moment is je seksualiteit letterlijk wezenloos geworden. Om de leegte te ontvluchten vlucht je juist de leegte in.
Normaliter zou je als mens erop moeten kunnen vertrouwen dat de spirituele traditie die je van je voorouders hebt meegekregen de weg kan wijzen bij dit soort dilemma’s. Maar het christendom heeft de laatste vierhonderd jaar of zo op dit terrein een beetje mal gedaan.
Om antwoorden te kunnen geven moet je immers vragen kunnen stellen. Moet het onderwerp bespreekbaar zijn. En dat was het een hele tijd niet, en op dit moment dreigt het wéér de verkeerde kant op te gaan.
Aan de middeleeuwen ligt het niet, even voor de duidelijkheid. Ik zeg het maar even omdat de middeleeuwen vaak de schuld krijgen. ‘Middeleeuwse toestanden,’ zeggen we dan. Maar de middeleeuwen waren op dit punt eigenlijk best ontspannen. Toen werden er op het marktplein zonder enige vorm van gêne toneelstukjes opgevoerd die ‘boerden’ werden genoemd. In feite waren dat vieze moppen in theatervorm. Er waren wel eens pastoors die zich erover opwonden, maar meestal stonden ze er met de rest van het volk om te lachen. En dat terwijl er niet zelden priesters en nonnen in werden opgevoerd.
Juist dat die stukjes grappig werden gevonden bewijst al wel dat er ook toen best spanning rond het onderwerp hing. Zonder enig taboe zijn vieze moppen namelijk gewoon niet lollig. Maar dat er wel gewoon - en in het openbaar - ruimte voor was bewijst wel dat die spanning ook kon worden gerelativeerd.
Natuurlijk werd er ook toen grote waarde gehecht aan zuiverheid, maar er werd ook met een nuchtere blik naar gekeken. Als in de middeleeuwse traktaten die ik dagelijks onder ogen krijg over wordt gesproken is het helder wat het theoretische ideaal is. Seksualiteit hoort bij het huwelijk, bij het trouw zijn aan elkaar en definitief voor elkaar kiezen. Dat ideaal is heel hoogverheven en men doet geen water bij de wijn.
Maar nergens krijg je de indruk dat men door een soort zuiverheidsdrift geobsedeerd is. Dat heel de morele waarde van een mens alleen daaraan wordt afgemeten. De mens moet in het algemeen zijn best doen zijn lagere vermogens, zijn drift en zijn verlangens, in toom te houden. En het seksuele verlangen is daarvan zeker een van de sterkste en ook vaak nogal onberekenbaar.
Maar in de middeleeuwen kon men redelijk open en creatief over seksualiteit praten en schrijven, ook over de meer ongrijpbare en wilde kant ervan. Denk aan de cultuur van de hoofse liefde, een complete gefantaseerde werkelijkheid die draaide om buitenechtelijke verhoudingen tussen adellijke dromers en andermans vrouwen. Onze eigen Hadewijch zag er zelfs geen probleem in de taal daarvan te lenen om er haar verlangen naar God mee te beschrijven. Sowieso was erotische taal heel gebruikelijk om mystieke godsontmoetingen mee te beschrijven. En dan niet terughoudend of vaag - luister bijvoorbeeld eens naar sinte Mechtild van Maagdenburg:
‘Hoe luider zij roept, hoe groter de wonderen die zij werkt door haar macht. Hoe meer zijn lust toeneemt, hoe mooier haar bruiloft wordt. Hoe smaller het bed, hoe inniger de omhelzing.’ Ze heeft het over God en de ziel, even voor de helderheid.
Als je dat zo leest snap je niet hoe er ooit een cultuur heeft kunnen ontstaan van het obsessief verkrampen bij alles wat met seks te maken heeft. Toch vlamt die neiging al sinds de late oudheid af en toe in de Kerk op.
De Bijbel is er niet echt schuldig aan. Die roept wel af en toe dat je geen ontucht moet bedrijven, maar niet op een manier die de indruk wekt dat er verder niks bestaat op de wereld. Het probleem begon bij hoe een paar belangrijke kerkvaders het gedachtengoed van de heidense stoïcijnen in de christelijke theologie verwerkten.
De stoïcijnse filosofie leerde dat er in heel de natuur een logica, de Logos, zit die bij hen een normatieve, eigenlijk goddelijke status heeft. Die Logos zaait zich uit in de werkelijkheid zodat alles op aarde een welbepaalde telos, een bedoeling heeft. Ook de mens heeft zo’n logos spermatikos, een zaadje van de rede. Dat is voor de stoïcijnen zelfs zijn meest wezenlijke zelf. Maar ook elk orgaan en elke handeling heeft een welbepaald doel. Dat doel kun je door logisch nadenken en zorgvuldige observatie ontdekken, en vanaf dan heb je ook de heilige plicht dat doel na te streven. Een goed moreel leven is, volgens de stoïcijnen, een leven kata logon, volgens de logos.
Wie van bijvoorbeeld zijn geslachtsorganen de bedoelingen heeft beredeneerd - namelijk voorplanting - en die dan toch gebruikt met een ander doel dan waarvoor ze zijn - bijvoorbeeld om er plezier mee te beleven - handelt tegen de logos.
Deze voorchristelijke filosofie werd in de christelijke theologie met nog een paar andere gecombineerd en daarna gecanoniseerd, heilig. Een combinatie van deze stoïcijnse logos en de iets andere invulling van datzelfde begrip door de neoplatonisten werd in de Kerk zelfs uiteindelijk gebruikt om de tweede Persoon van de Drievuldigheid beter mee te kunnen begrijpen. Jezus zelf, dus. Denk maar aan de beroemde proloog van het Evangelie van Johannes waar elke Mis mee wordt afgesloten: καὶ ὁ λόγος σὰρξ ἐγένετο, en het woord is vlees geworden. Jezus zelf was de goddelijke Logica die alles in de schepping zijn vorm en doel had gegeven.
Dat klinkt heel veelbelovend - en in de mystieke traditie werkt het ook prachtig uit, zoals Mechtild en Hadewijch laten zien. Maar er schuilt ook een gevaar in: de stoïcijnse doelmatigheidslogica kon seksualiteit reduceren tot louter voorplanting, en elke andere betekenis ervan wegsnijden. En precies dat is wat er in de loop van de eeuwen is gebeurd - met bovendien de paradoxale bijwerking dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd. Maar laat ik die draad even vasthouden en eerst de historische lijn afmaken.
Iemand die in dit proces een hoofdrol speelde was de heilige Augustinus. Die had een uiterst moeizame persoonlijke verhouding met seks en dat is af en toe goed te merken aan zijn werk. Dat werk is in het westerse christendom absurd invloedrijk geweest op werkelijk alle theologische terreinen. Til een in de kerk een tegel op en er wriggelen geen pissebedden onder maar ideeën van Augustinus. Soms ten goede, hoor, maar niet altijd.
Hij zag de menselijke begeerte als kern van de erfzonde, dus van de slechtheid van de mens. Nou was begeerte wel breder dan alleen seksuele lust, maar daar lag toch wel het accent op, ook al omdat Augustinus daar zelf enorm mee worstelde.
Veel extremer nog was de heilige Hiëronymus, die trouwens sowieso het moeilijkste karakter van de hele oudheid had. Zijn traktaat tegen de monnik Jovianus is berucht. Jovianus beweerde dat het huwelijk en de maagdelijke staat gelijkwaardig waren. Dat paste Hiëronymus niet, en hij reageerde, zoals vaak, weer eens hysterisch. Hij pompte in zijn pamflet de maagdelijkheid enorm op ten koste van het huwelijk. Trouwen was alleen voor sukkels die hun lusten niet konden beheersen. Maar zelfs binnen het huwelijk vond Hiëronymus seks in feite nog zondig, in ieder geval goede seks. Zelfs als je je eigen man of vrouw hartstochtelijk beminde pleegde je volgens hem al overspel. Dat was zelfs Augustinus veel te gortig. Hij nam er uitdrukkelijk afstand van.
De oorzaak van dit alles zal ook in Hiëronymus’ geval wel persoonlijke frustratie geweest zijn: hij schreef in een van zijn brieven dat hij voortdurend werd overvallen door beelden van aantrekkelijke jonge meisjes.
Nou roepen veel mensen dat dit soort onvolwassen gezeur altijd al de boventoon heeft gevoerd in het denken van de Kerk over seks. Ik hoop dat ik al voldoende duidelijk heb gemaakt met wat ik over de middeleeuwen heb gezegd dat dat flauwekul is. Het was meer zoiets als een van die virussen waar je niet meer afkomt, maar die alleen van tijd tot tijd opvlammen en symptomen veroorzaken. Herpes of zo, om maar even in de sfeer te blijven.
Nou komen we op dit moment wel net uit één van die uitbraakperioden, en die heeft lang geduurd en dus ook, toen ze eenmaal voorbij was, een hele heftige reactie uitgelokt. Geen wonder dat de mensen het christendom op dit punt niet meer serieus nemen.
Hoe kon dit zo gebeuren? Na de hoogste bloei van de mystiek, in de veertiende eeuw, ontstond er een wat chagrijnige beweging die de ‘moderne devotie’ werd genoemd. Bij het nadenken over het geestelijke leven verschoof het accent van de extatische liefde voor God naar deugdzame en vooral ook boetvaardige bravigheid.
Even later werd West-Europa getroffen door de op een na grootste ramp die ooit op theologisch terrein is vertoond: de reformatie. Die beweerde alleen de Bijbel nog serieus te nemen als bron over de kennis van God: sola scriptura. Maar dat was in de praktijk niet waar. Dat kon ook helemaal niet, want de Bijbel is te onsamenhangend om een sluitend religieus verhaal op te baseren. In feite was het niet de Heilige Schrift, maar een deel van de theologie van Augustinus die door de protestanten werd verabsoluteerd, en dan ook nog eens in het bijzonder de pessimistische Augustinus van zijn laatste jaren. De mens was na de zondeval alleen nog maar slecht. Zijn wil was niet alleen maar verzwakt, maar geketend en volkomen hulpeloos. Alleen Gods genade kan nog redden, maar die zal in de praktijk zuinig zijn. De massa van de mensen is verdoemd, en daarvoor heeft God ze ook vanaf het begin geschapen. Alleen zo kan aan zijn beledigde majesteit recht worden gedaan. Heel gezellig, allemaal.
Theoretisch beoordeelden de protestanten seksualiteit dan wel weer iets positiever dan de katholieke traditie altijd had gedaan. In ieder geval kenden zij geen celibataire geestelijken, omdat levenslange maagdelijkheid als offer bij hen geen betekenis had. Toch ontwikkelde zich juist bij hen de mentaliteit die we tegenwoordig met een ongezonde christelijke moraal associëren: een soort kleurloze anti-creativiteit waarin elke vorm van plezier verboden is.
Ondanks dat zij geen deel meer uitmaakten van de Kerk kregen de protestanten toch al snel een grote invloed op het katholicisme, al was het maar door de reactie van de katholieken op de reformatie, de contrareformatie. Er ontstond tussen de protestanten en de katholieken een wedstrijdje in wie het meest deugdzaam was. Natuurlijk waren de katholieken sowieso veel te slordig om dat gevecht te winnen, maar ze probeerden het toch. Het resultaat daarvan was eerder treurig.
Omdat de reformatie mede was uitgebroken door het ongeloofwaardige gedrag van de katholieke geestelijken - onder andere op het gebied van de seksualiteit - werden die in het vervolg extra grondig gedrild. Daarvoor werd een geheel nieuw type instituut uitgevonden: het grootseminarie. Daar werd voortaan intensief aan seksuele vorming gedaan. Dat gebeurde aan de hand van biechtvadersreglementen waarin en detail stond uitgespeld wat er op seksueel terrein zoal verkeerd kon gaan, en wat daar de consequentie van moest zijn.
De Franse filosoof Michel Foucault heeft in 1976 uitgebreid over die cultuur geschreven in het eerste deel van zijn seksualiteitsgeschiedenis, ‘La volonté de savoir.’ Hij signaleert daarin, terecht denk ik, dat men nogal eens verzandde in het produceren van seksuele fascinatie in naam van het bestrijden ervan. Om zonden te kunnen beoordelen moesten ze eerst worden omschreven en dat leidde al snel tot een steeds fijmazigere taxonomie van seksuele handelingen. Met een mate van detail die in elke andere context als obsceen beschouwd zou worden, kunnen we wel stellen.
Om greep te krijgen op het fenomeen ging men uitgebreid beschrijven, classificeren en bevragen wat er zoal tussen opgewonden mensen mogelijk was. Dat op die manier een obsessieve overaccentuering van al het seksuele werd veroorzaakt werd duidelijk over het hoofd gezien. Ook omdat die boeken in de praktijk ook nog eens functioneerden in huizen vol opgeschoten knapen op de piek van hun hormonale driften. Ik geef het je te doen om affectief volwassen te worden als je op negentienjarige leeftijd toch al vol stuwende sappen zit en dan ook nog met de regelmaat van de klok idiote juridische puzzeltjes over seks op moet lossen.
Nou is Foucault trouwens niet de meest objectieve wetenschapper als het om het beoordelen van de katholieke Kerk gaat, maar ik denk dat hij in dit geval de spijker op zijn kop slaat. Zelf heb ik het dieptepunt van dit alles niet meer meegemaakt, maar het residu ervan is nog altijd niet opgeruimd. En komen we daar überhaupt wel aan toe?
Want het overdreven liberalisme van de tweede helft van de twintigste eeuw - dat van het gefantaseer over seks met octopussen en gummi konijnen - is alweer bezig een reactie bij de volgende generatie op te roepen. Dat is prima als dat leidt tot het weer serieus nemen van seks als een tedere en kostbare vorm van communicatie tussen mensen die elkaar en het wonder van het leven en de schepping vieren. Maar niet als het ons met een U-turn terugbrengt naar de griezelige biechtvadershandboeken.
Als ik zeg dat stilte gevaarlijker is dan porno bedoel ik dat in meer dan één betekenis. Wat er in feite misgegaan is bij de kerkelijke omgang met seksualiteit, is dat die tegelijk gedemystificeerd én onbespreekbaar gemaakt is. Een Paradox met een vette hoofdletter ‘P.’
Gedemystificeerd, daar begin ik even mee. Zoals ik daarnet al heb uitgelegd toen ik het had over het stoïcijnse gedachtengoed in de Kerk werd daar tot voor kort over seksualiteit gesproken als louter en alleen voor de voorplanting bestemd. Alles wat er verder aan gevoel bijkwam werd als onnodig en zelfs gevaarlijk gedoe beschouwd. Tijdens de laatmiddeleeuwse scholastiek, die toch al extreem droog-technisch tegen de werkelijkheid aankeek, was dat nog eens verabsoluteerd, en de negentiende-eeuwse neoscholastiek verabsoluteerde de verabsolutering nog eens.
Men was duidelijk even vergeten dat oprechte tederheid tussen mensen een intense vorm van communicatie is. Je drukt je uit als persoon en schenkt je tegelijk in vol vertrouwen aan een ander en nodigt die ander uit zich ook weer vol vertrouwen aan jou te geven. ‘Bij mij mag je je grenzen laten vallen en zonder enige reserve jezelf zijn’ zeg je tegen elkaar.
Die houding is trouwens prima te verenigen met het kerkelijke denken, stoïcijnse regeltjes en al. Als mensen gemeenschap met elkaar hebben zoals het bedoeld is, is dat een diep spiritueel gebeuren dat vol is van het mysterie van het bestaan, dus van Gods creatieve vermogen dat wij gewend zijn ‘het Woord’ te noemen. Het Woord dat alles zijn essentie, zijn vorm geeft. Geen wonder dat er nieuw leven uit opspringt.
Het is juist de schoonheid en de eerlijkheid hiervan die ons hier tot voorzichtigheid dwingt, niet duisternis of onreinheid of zoiets. Probeer je die schoonheid los te maken van de waarheid die erbij hoort - die te consumeren - dan ontstaat er geen zwijgen, maar trauma. Misverstand. Leugen. Vertwijfeling.
Dat is toch een ander soort gevaar dan het gebruiken van een technische handeling voor iets waarvoor die oorspronkelijk niet bedoeld was. Dat klinkt meer als een ongeoorloofd gebruik dat de fabrieksgarantie laat vervallen of zoiets. En zelfs als dat in de strengste bewoordingen wordt gecommuniceerd is dat toch nét een minder hoge drempel dan het schenden van het mysterie van het leven zelf.
Natuurlijk weet iedereen dat geen enkele seksuele relatie samenvalt met de hoogverheven idealen van mystieke traktaten, laat staan voortdurend en elke keer. Zoals alles hier op aarde is het soms een armzalig ploeteren. Maar om er nou zonder enige warmte over te spreken als over een biologische kopieermethode is weer wat anders. En als de Kerk dat dan ook consequent doet - seks zakelijk maken, van de boom een juridische handeling - moet ze niet raar opkijken als de mensen ook de vrucht als zodanig gaan beschouwen. Ook het probleem van het seksuele misbruik in de Kerk kan onmogelijk los worden gezien van de idiote handboekentheologie op dit terrein.
Tot zover de demystificatie: het verwijderen van God uit de seksualiteit door de Kerk zelf.
Maar hoe laat zich dat rijmen met dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd?
Je zou denken dat als seks geen ontzagwekkende heilige betekenis meer had, er dan verder ook nuchter over gesproken zou moeten kunnen worden. Maar in plaats daarvan kregen we preutsheid in plaats van zuiverheid.
Als seks een transactie is zouden de ondeugende toneelstukjes op het marktplein en erotisch getinte mystieke teksten uit de middeleeuwen geen enkel probleem meer mogen zijn, toch? Maar in plaats daarvan werd seks vanaf de zeventiende eeuw steeds griezeliger gemaakt tot uiteindelijk in de negentiende zelfs blote enkels al een schandaal waren.
De vertalingen van diezelfde biechtvadershandboeken waar ik het al over had beschrijven de meest vreselijke misdaden, moord en doodslag, gewoon in het Nederlands. Maar zodra ze aan de onkuisheid toe zijn schakelen ze plotseling op het oorspronkelijke Latijn over.
Nou is het in de wereld van de spiritualiteit zo, dat het goddelijke altijd wordt verborgen. Ergens een gordijn voorhangen of iets achter een muur verbergen betekent dat het uiterst heilig is. Eén van de redenen dat bijvoorbeeld de moderne westerse liturgie zo slecht functioneert is dat ze veel te bloot is, met haar keukentafelaltaren en platte volkstaalmissalen. Ze toont wat verborgen hoort te zijn.
In het geval van seksualiteit is er dan ook sprake van heel tegenstrijdige communicatie.
Aan de ene kant is seksualiteit schijnbaar een louter doelmatige handeling om je voort te planten, aan de andere kant wordt het met een symbolisch onbespreekbaarheid beladen die loodzwaar is. Die dus juist aangeeft dat het om een uiterst onaantastbare zaak gaat.
Seks is dus zo een vorm van communicatie geworden die zichzelf voortdurend tegenspreekt. Een stereo signaal met een fasenprobleem, waarbij de golven van de rechterbox die van de linker precies opheffen. Met als resultaat stilte. Geen ontspannen stilte, maar een onhoorbaar geschreeuw.
Die situatie heeft overal en nergens onbeschrijfelijk leed veroorzaakt en ook nog eens onze hele geestelijke traditie van haar morele geloofwaardigheid beroofd. Daarom pleit ik ervoor te voorkomen dat deze domme houding zo blijft of zelfs nog sterker terugkeert.
Stilte is gevaarlijker dan porno, heb ik dit filmpje genoemd. Een titel met een heel bewust dubbele bodem.
Want het woordje ‘gevaarlijk’ is niet altijd zo eenduidig. Juist het meest heilige is immers bij uitstek ook het meest gevaarlijke, in de zin van dat er onvoorstelbare mogelijkheden in liggen opgesloten. Als we iets ongevaarlijk noemen, is dat lang niet altijd een compliment. Saai, bedoelen we dan ook, vaak.
De overdaad aan seksuele prikkels waar we de afgelopen zestig jaar mee geleefd hebben kan ons verslaven en onze verwondering verdoven. In die zin is porno gevaarlijk, in negatieve zin. Maar het verzwijgen en verkrampen van seksualiteit is nog veel gevaarlijker. Want die kan ons eindeloos onzeker maken, obsederen en het ons onmogelijk maken emotioneel volwassen mensen te worden. In die zin is stilte nog gevaarlijker dan porno, in negatieve zin.
Want porno is zo plat dat ze niet lang en niet écht kan boeien. Daarom heb je er ook steeds extremere vormen van nodig als je je eraan overgeeft. Het ontbreekt haar aan werkelijke ‘lading.’ Aan Logos. Ze heeft geen grond, geen echte inhoud. Ze is onheilig, en in de diepere zin van dat woord dus in feite ‘ongevaarlijk.’
Gevaarlijk, in positieve zin, in de zin van werkelijk fascinerend, is dan weer het woordeloze spreken van mensen die echt van elkaar houden. Zo machtig dat je er niet anders dan de grootste eerbied voor kunt hebben. Al was het maar omdat dat letterlijk je eigen oorsprong is.
En in al die betekenissen is stilte dus gevaarlijker dan porno.










