0:00
/
Transcript

Griezelen van Gods nabijheid?

Waarom de handcommunie echt geen logische uitvinding is

Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden.

Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm.

Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’

De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren.

De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde.

(Intro)

Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk.

Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt:

Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden.

Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar?

Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen.

In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft.

Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder.

Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong.

Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven.

Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet.

Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven.

Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen.

De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook.

Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons.

Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust.

Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’

Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.”

God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis.

‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’

Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide.

“De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.”

In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt.

Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker.

Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren, en dat is het moment aan het einde van je leven dat je opnieuw hulpeloos wordt. Ook dan moet je je weer laten voeren, moet je je weer overgeven. Want er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort. Ook wij moeten vroeg of laat dit leven loslaten omdat wij vérder moeten. Omdat wij nou eenmaal bijtjes zijn die voor een hogere honing zijn gemaakt.

In ons doopsel zijn wij al eens met Christus gestorven en weer opgestaan, als nieuwe mensen. Dat alles zou nu tot vervulling en bekroning moeten komen. En zo wordt er van ons opnieuw een groot vertrouwen gevraagd. Ons lijden en vergaan en loslaten te binden aan Christus’ lijden en vergaan en loslaten. In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest. Ik stel mij zo voor dat dat een reis is die niemand van ons, behalve Jezus zelf, en natuurlijk zijn moeder, volmaakt en zonder dwalen volbrengt. Maar dat hoeft ons niet verdrietig of bang te maken. Want Jezus geeft ons zijn eigen Lichaam en Bloed als reiskost. Nu is de communiebank het graf en de dwaal de lijkwade. Hij geeft de Geest aan ons, wij geven de Geest in Hem.

Dit stadium lijkt wel lelijk en donker en koud, maar ligt stiekem heel dicht bij het vorige, bij de vereniging van Bruidegom en Bruid. Wij lijken wel verloren en verdwaald, maar er wordt met intens verlangen op ons gewacht. Mochten wij niet op tijd verschijnen, dan zal er naar ons worden gezocht en zullen wij worden gevonden. En mochten wij onderweg in slaap zijn gevallen, dan zullen wij worden wakker gekust.

Discussie over deze video

Avatar van User

Klaar voor meer?