0:00
/
Transcript

Ben jij een wijze of een dwaze bij?

Nijhoff tegen Ruusbroec

Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn?

(intro)

God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen.

Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere.

Een geur van hoger honing

verbitterde de bloemen,

een geur van hoger honing

verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen

in het azuur bevrozen,

die geur en een zacht zoemen,

een steeds herhaald niet-noemen.

ried ons, ach roekelozen,

de tuinen op te geven,

riep ons, ach roekelozen,

naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven

zijn wij naar avonturen

ver van ons volk en leven

jubelend voortgedreven.

Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood.

Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’

Niemand kan van nature

zijn hartstocht onderbreken,

niemand kan van nature

in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken,

steeds helderder doorschenen,

steeds heviger bezweken

naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen,

ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,

stegen wij en verdwenen

als glinsteringen henen.

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,

huiswaarts omlaag gedwereld,

het sneeuwt, wij zijn gestorven,

het sneeuwt tussen de korven.

Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt?

Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest.

De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is.

Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn.

Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar.

Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren.

Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen.

Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens.

De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven.

Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si.

Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten.

Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist.

Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken.

Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij.

En dan begint hij over die bijtjes:

Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit.

Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten.

‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog.

Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen stuk gereedschap, schrijft hij verderop, dat zelf niks kan of hoeft ‘...rechte als dat ghetouwe dat selve ledich es ende sijns meesters beidt wanneer hi werken wilt. Hij moet, met andere woorden niks hebben van mensen die menen God wel te vinden door zich zo wezenloos mogelijk aan hun eigen passieve bestaan over te geven en te verwachten dat God het verder wel zal richten.

Overmids die natuerlijcke raste die sie ghevoelen ende besitten in hem selven in ledicheiden, soe houden si dit, dat si vri sijn ende met gode sonder middel vereenicht, ende dat si verhaven sijn boven alle oefeninghe der heiligher kerken, ende boven die ghebode gods, ende boven die wet, ende boven alle doechdelijc werken diesmen pleghen mach in eenigher wijs.

Ruusbroec heeft het hier niet over een theoretisch probleem, maar over een irritante geestelijke mode uit zijn tijd die sommige vrome zielen het hoofd op hol bracht. De zogenaamde vrij-geesterij. De aanhangers daarvan probeerden zo passief mogelijk te drijven in God. Elke vorm van streven was hun teveel: werken, bidden, de Kerk, de Sacramenten, de heiligen en stiekem - zonder dat ze het in de gaten hadden - ook God zelf. Ongemerkt verzopen ze in hun eigen zelfgenoegzaamheid in plaats van in God.

Iemand die daar vaak mee in verband wordt gebracht is een zekere Marguérite Porete, een begijntje uit de zuidelijke Nederlanden, uit Valencijn, tegenwoordig in Frankrijk. Zij leefde een generatie eerder dan Ruusbroec. Ze schreef een boek dat deze mentaliteit ongeveer uit leek te schreeuwen. Zij streefde naar de totale vernietiging van haar ziel in God. Je wordt gered door het geloof zonder werken, want het geloof overtreft alle werk, naar het getuigenis van de Minne zelf.

Marguérite streefde ernaar niet alleen niks te doen, maar zelfs niks meer te willen, zelfs niet God te willen.

Hoogstwaarschijnlijk bedoelde ze daar heel wat anders mee dan wat Ruusbroec later met zijn weefgetouw zou veroordelen. Haar ‘niet werken’ had niks te maken met lui zwelgen in valse geestelijke vervoering. Zij droomde van een ziel die zó door geloof en de liefde voor God in beslag was genomen dat ze geen merkbare eigen wil meer had. Die was veranderd in ruimte voor Gods willen in haar. Je kan niet zeggen dat je daar met wezenloze slapte te maken hebt.

Sterker nog: de vrouw die beweerde dat de ziel niks hoort te doen omwille van God deed precies wat haar alles kostte tot en met haar leven. Toen het boek dat zij geschreven had door de bisschop van Kamerijk werd veroordeeld en verbrand bleef zij trouw aan wat zij van harte geloofde. Toen zij daarop door een dolgedraaide inquisiteur werd aangeklaagd wegens ketterij weigerde zij anderhalf jaar lang zichzelf te verdedigen en werd in 1310 in Parijs levend verbrand, liever dan dat zij haar woorden zou intrekken. Of zij verstandig handelde laten we maar even in het midden. Ze wekt de indruk een wat fanatiek en drammerig mens te zijn geweest. Maar je kunt haar toch moeilijk beschuldigen van gemakzucht, om het maar even voorzichtig uit te drukken.

Hoe dan ook wint men God niet in de vervoering en de wierookwolken, maar uiteindelijk door juist in het dagelijkse zwoegen ruimte voor hem te worden. De Duitse mysticus Eckhart zegt dat nog veel puntiger dan Ruusbroec. In zijn vijfde preek schrijft hij:

Wan wærlîche, swer gotes mê wænet bekomen in innerkeit, in andâht, in süezicheit und in zunderlîcher zuovüegunge dan bî dem viure oder in dem stalle, sô tuost dû niht anders dan ob dû got næmest und wündest im einen mantel umbe daz houbet und stiezest in under einen bank.

Als je denkt dat je God het meest nabij bent als je je innig, zoet en devoot voelt is het alsof je hem een doek over zijn kop gooit en onder een bank trapt. De zoetigheid onttrekt Hem dan aan je waarneming en zijn échte werkelijkheid zit in een ongemakkelijke houding opgevouwen onder de opgedrongen vorm van jouw voorstelling van wat devoot is en wat niet.

Gebed is belangrijk en God schenkt sommigen van ons niet voor niets af en toe religieuze ervaringen, maar het is juist als je aan de haard aan het spit staat te draaien of in de soep staat te roeren, als je in de stal stront staat te scheppen en ruiven staat te vullen, dat je vol van hem moet zijn. Vertaald in huidige termen: als je in de een of andere supermarkt achter de kassa zit om sinaasappels, vuilniszakken en condooms te scannen of als je op een kantoor verzekeringspolissen zit uit te poepen.

Zoet of niet - God is er en jij bent er en uiteindelijk moet dat je genoeg worden, zoete gevoelens of niet.

‘Alle dies troosts die god ye ghegaf, die salmen gherne ontberen ende ledich sijn, op dat gode eerlijc si,’ zegt Ruusbroec daarover. ‘Dit es de vergaderinghe des corens ende alrehande tidigher vruchte daermen eewelijc af leven sal ende rijcke sijn met gode.

Juist het graag verdragen van wat God ook maar geeft of niet maakt je rijp en schenkt je de oogst waarvan je kan leven. Sterker nog: ‘mestroost wert eewich wijn,’ mistroost wordt de eeuwige wijn.

Dit alles lukt niet in vijf minuten of door het op een zeker moment eens even definitief te besluiten. Als het niet lukt is enige zelfspot onontbeerlijk. Je lacht een keer om jezelf en gaat gewoon verder met oefenen en groeien.

En uitrusten: dat doen we in de hemel.

Ook deze keer heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, die als het goed is ondertussen ergens in beeld verschijnt. Graag zie ik jullie daar. En voor wie daar geen zin in heeft en lekker wat anders gaat doen: ga, en leef!

Discussie over deze video

Avatar van User

Klaar voor meer?