Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou.
Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen.
Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren.
De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft.
Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is.
Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept.
Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten.
Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag.
(intro)
Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat.
Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn.
In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast.
Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put.
Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat.
Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft.
Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk.
Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix.
Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis.
Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind.
Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’
En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’
Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen.
Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís.
In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden.
Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin.
Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus.
En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan?
Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn.
Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes.
Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is.
Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling.
Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman.
Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat.
Als je niet beter zou weten zou je zeggen dat dat precies is wat Eckhart ook al probeerde te zeggen, toch?
Ook de manier waarop Eckhart weigert de diepste kracht van de ziel te benoemen doet aan deze Indiase denktrant denken. Eerst noemt hij het topje van de ziel kasteeltje, en dan ook nog vonkje, hoede en licht, maar dan ontkent hij al die termen ook weer en zegt: ‘ez enist weder diz noch daz,’ het is noch dit, noch dat.
Vergelijk dat met wat de Brihadáranyaka-Upanishad daarover zegt: ‘Dit zelf: niet zo, niet zo. Neti neti. Het is niet te grijpen want het laat zich niet grijpen. Het is niet te breken, want het laat zich niet breken. Het is niet te binden, want het laat zich niet binden.’
Net zoiets doet zich voor in de meest verbreide tak van de joodse mystiek - de kabbala.
Volgens de kabbalisten heeft de ziel vijf niveau’s of lagen, van primitief en grofstoffelijk naar hoog en verfijnd. Dus van het bewegen en verwarmen en instandhouden van de lichamelijke materie over het denken en bezielen en inspireren naar het meest wezenlijke en essentiële.
Het hoogste niveau heet ‘Yechidah,’ wat vertaald betekent: de Ene of Unieke. Dat is het puntje waar de ziel direct en onbemiddeld verbonden is met God. Het woord ‘Yechidah’ komt van de stam voor uniek, eenmalig. Leggen we dat naast de opmerking van Eckhart dat ‘dit vonkje zo verwant is aan God dat het een enig Een is, dan is het helder dat hier dezelfde manier van denken aan het werk is. Dezelfde etymologie, zelfs, uiteindelijk.
Dus én de christelijke én de joodse én de vedische traditie komen allemaal met een woord dat te maken heeft met enig en uniek en ondeelbaar als het gaat om het hart van de menselijke ziel. Dat is nog niet persé één pot nat. Maar het wijst wel op dat al die mensen op hun eigen manier naar dezelfde werkelijkheid hebben zitten staren. Dit soort speurtochten leiden schijnbaar vrijwel altijd naar dezelfde moeilijk te verwoorden glasheldere mistbank. Die dan door iedereen weer anders wordt geïnterpreteerd, natuurlijk. Dat maakt mystiek in het algemeen een onverdraaglijk fenomeen voor de droogstoppels onder ons. Niks aan te doen. Om de Dao de Djing van de Chinezen er ook nog maar even bij te slepen: “Een weg die je kan wijzen is niet de eeuwige weg. En een naam die je kunt noemen is niet de eeuwige naam.”
Goed, alle gekheid op een stokje: laten we even kort een tussenstand opmaken. Ik begon deze video met de volgende observatie: Er is, als je in jezelf keert, een jij die getuige is van jouzelf. Die bewustzijn verleent aan alles wat je denkt en beleeft. Die getuige is waarschijnlijk de kern van je ziel, of misschien nog weer een getuige van die getuige, maar daar willen we hier even af zijn. In ieder geval is daar ergens een hete vonk, een toevlucht, een wezen waar we niet meer verder achter terug kunnen.
De vraag is nu: is die vonk God zelf en betekent dat dat wij God zelf zijn? Eckhart lijkt dat te suggereren en in India is er een stroming die het onverbloemd verkondigt. De kabbalisten lijken toch ook wel die kant op te denken. Maar wij christenen vinden dat lastig. Niet omdat we bang zijn Gods oneindige Majesteit te bezeren, want die is niet zo kleinzerig.
Maar wel omdat we het idee van één bewustzijn alléén een akelig idee vinden. Heel ons idee van wat het bestaan de moeite waard maakt is relationeel. Wij vinden dus harmonie en vereniging wel gezellig, maar de totale vereenzelviging niet. Wij zijn nou eenmaal erg van het ontmoeten, en dat gaat lastig in je eentje. Zelfs ons beeld van God is Relatie. De Personen van de Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is Vader omdat Hij een Zoon heeft. De Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft. De Geest is in feite niks anders dan de relatie tussen de Vader en de Zoon.
Wij weten zelf ook wel dat wij daar een logisch probleem hebben, dus zijn we ondertussen sterren geworden in het klooien et paradoxen. God is wel één, maar allesbehalve alleen, zeggen wij.
Niet logischer, wel aangenamer. Evengoed voor de piekeraars onder ons uiteindelijk onbevredigend. Kunnen we hieraan ontsnappen?
We zullen onze toevlucht maar weer nemen tot de grootste theoloog aller tijden: Jan van Ruusbroec.
Om maar met de deur in huis te vallen: ook bij hem zien we die vonk van de ziel.
‘Ende oec hevet de mensche een natuerlijc gront neyghen te gode overmids de vonke der zielen ende die overste redene, die altoes begheert dat goede ende haet dat quade,’ zegt hij in zijn boek de geestelijke Bruiloft. Ruusbroec koppelt de vonk aan het hogere verstand, en ook dat lijkt op het denken van Eckhart. De vonk neigt of verlangt naar God, dat is ook wel duidelijk. Maar valt hij ook met Hem samen?
Weten we het nog? Het hoogste van de menselijke ziel is bij Ruusbroec de zogenoemde geest, die bestaat uit de drie hogere vermogens: geheugen, verstand en wil. Omdat de ziel beeld van God is zijn die drie hogere vermogens ook weer beelden van de drie goddelijke Personen. Geheugen van de Vader, verstand van de Zoon en wil van de Heilige Geest.
De zielevonk hoort bij de Zoon, de Logos, het Woord, het hier en nu, het verstand, het bewustzijn. Met andere woorden: de waarnemer, de hoeder, Jij die getuige bent van jou is ook bij Ruusbroec minstens beeld van de Logos, God de Zoon. Maar is de getuige ook God zelf? Ben jij ook God zelf?
Je zag het al aankomen: Ruusbroec kiest hier een andere weg. Hij verenigt ons wel zeker innig met God. Maar hij kiest daarvoor het werkwoord inhangen. Ten eerste merkt hij al droogjes op dat alles en iedereen in God hangt omdat er zonder Hem geen bestaan, behoud of leven mogelijk is. Hij voegt daaraan toe dat dat nog geen reden is om naast je schoenen te gaan lopen: God houdt niet alleen heiligen in stand, maar ook mispunten en middelmatigen. En verder ook nog rotsen en colablikjes, koala’s en scheetkussens, pioenrozen en autowrakken en verder nog een paar dingen meer. Teken, bijvoorbeeld, die ook.
Maar dan wordt het interessant voor ons: Eene andere eninghe ofte eenicheit es oec in ons van natueren, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronc nemen werkelijcker wijs: in eenicheit dies gheests ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke.
Bij Ruusbroec hangt dus niet alleen het verstand, maar heel de geest in God. Dat ontsnapt aan de zintuigen, voegt hij er ook nog aan toe, en daaruit komen geheugen, verstand en wil tevoorschijn.
Tot zover is het beeld dat Ruusbroec heeft van hoe de ziel ten diepste in elkaar zit strikt logisch nog wel met dat van Eckhart te verenigen, en misschien zelfs nog wel met Advaita Vedanta en de kabbala, maar het begint wel te wringen. Gewoon omdat er een andere mentaliteit uit spreekt, die veel nadrukkelijker dan de anderen die we tot nu toe hebben gezien bescheidenheid en overgave benadrukt.
Dat wordt overduidelijk wanneer we zijn boecsken der Verclaringhe erbij pakken. Dat schreef hij uitdrukkelijk om te onderstrepen dat hij geen pantheïst was. Daarin zegt hij dan ook klip en klaar wat advaita adepten en hasidische rebbe’s niet zo snel zouden schrijven, en wat je ook vergeefs bij Eckhart zoekt.
Eerst lijkt ook hij nog helemaal de taal van de absolute eenheid te spreken als hij zegt:
Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in gods wesen, dat alre wesen overwesen is. Daer ontfallen si hen selvenin ene verlorenheit ende in onwetene sonder gront. Daer es alle claerheit wederboecht in deemsterheit, daer die .iii. persone wiken der weseleker enecheit ende sonder onderscheet ghebruken weseleker salecheit.
Net als bij Eckhart is er in de menselijke ziel een zo groot mysterie dat God zijn Drievuldigheid achterlaat als Hij er naar binnen gaat. Hij gaat er binnen in zijn zalige Eénvoud en geniet daarvan, samen met de ziel. Maar toch staat hij het die ziel niet toe zich in Hem op te lossen.
Dese salecheit es gode allene weseleec ende allen gheesten overweseleec. Want gheen ghescapen wesen en mach met gods wesene een sijn ende tegaen in hem selven. Want soe worde de creatuere god, dat onmoghelijc es.
Waarom is dat eigenlijk onmogelijk? Nou:
Want Gods wesen en mach menderen noch meerren. God is onveranderlijk. Als Hij toeneemt of afneemt is Hij God niet meer.
Om dan de hele zaak weer lekker in de war te schoppen door eraan toe te voegen:
Nochtan sijn alle minnende gheeste een ghebruken ende ene salecheit met gode sonder differentie.
De liefhebbende geesten zijn één genieten en één zaligheid met God, en wel zonder onderscheid.
Daar ziet Ruusbroec geen enkel probleem in,
Want dat saleghe wesen dat gods ghebruken es ende alle siere gheminder, dat es alsoe sempel eenvoldech, dat daer en es noch vader, noch sone, noch heileghe geest na persoenleken onderscede, noch ghene creature.
Wat God eigen is krijg jij als vrije gave. Wat Hij van nature heeft krijg jij in de vorm van zijn liefde geschonken. Zijn wezen is niet jouw wezen, maar wel jouw overwezen, zoals Ruusbroec het noemt. Het is niet vanzelfsprekend van jou, het is van jou omdat God het van harte aan je wil schenken. Hij wil zich met jou delen omdat Hij je bemint.
God mag weten of dit alles uiteindelijk in technische zin veel verschil maakt. In India zal men zeggen van niet, omdat het hele probleem al vanaf het begin een illusie was. Ook kabbalisten zullen zich waarschijnlijk verbaasd afvragen waar die arme christenen zich zo druk over maken.
Maar wij zijn christenen. Wij verstaan God als de Liefde zelf. En onze eigen diepste zelf liever niet als een vanzelfsprekendheid. Iets waar we recht op zouden hebben. Nee. Wij worden elk moment van ons bestaan uit liefde door de liefde aan onszelf geschonken. Dat is onze zaligheid en anders niet.










