Er zijn van die vormen van zogenaamd christendom die je het liefst gisteren nog zou zien verdwijnen. Dat dacht burgemeester Hoes van Tilburg deze week nou ook. Hij hoorde dat de Frontrunners een dienst in zijn stad wilden houden. De Frontrunners zijn een club van van die typische fastfoodprotestanten Amerikaanse stijl die beweren met gebed mensen te kunnen genezen van allerlei ziekten. En ook van autisme en homoseksualiteit, klaarblijkelijk. Echt lekkere types. Gods onkruid, zullen we maar zeggen.
Burgemeester Hoes had daar dan ook allemaal niet zo’n zin in, en meende een trucje te kunnen uithalen om die rare groep te weren. Het gebouw dat zij zouden gebruiken voor hun zogenaamde kerkdienst was geen officiële kerk maar een buurtcentrum met zalen. In het bestemmingsplan van een gemeente heeft zo’n gebouw een andere status dan een kerk. Ook waren voor de dienst kaarten verstrekt, zij het gratis, maar toch deed dit alles de burgemeester besluiten dat het niet om een kerkdienst ging, maar om een evenement. En evenementen vallen niet zomaar onder vrijheid van godsdienst. En kunnen dus om allerlei redenen verboden worden.
De situatie draaide uit op chaos, de dienst werd door de politie onderbroken en hun voorganger Tom de Wal gearresteerd. Die genoot zichtbaar van de situatie en begon onmiddellijk de catacombenmartelaar uit te hangen. En met succes. Weliswaar waren er niet veel mensen die nou zo’n medelijden hadden met deze specifieke meneer en zijn volgelingen, maar wel vond men dat de godsdienstvrijheid geweld aan was gedaan. En dat doen we in dit land principieel niet.
De burgemeester voelde zelf duidelijk ook nattigheid. Hij begon tenminste al vrijwel direct na het hele circus een terugtrekkende en verzoenende toon aan te slaan. Het riekt er met andere woorden naar dat iemand hem ondertussen heeft uitgelegd dat hij een bestuurlijke blunder heeft begaan. De uitkomst is op dit moment nog niet duidelijk, dus we zullen het zien.
Het lijkt zo simpel. Wanneer is een bijeenkomst een religieuze plechtigheid en wanneer niet? Stel je voor: ik geef in een zaaltje in Groningen een lezing over mystieke theologie. Die gaat vanzelfsprekend over God. Want mystiek is het ontmoeten van God. Toch is die lezing daarom nog geen godsdienstige plechtigheid. Maar wat dan als ik afsluit met gebed?
Wat als bijvoorbeeld een topvoetballer een kruisje slaat voor een wedstrijd en heel de tribune hem toejuicht? Gooit Femke Halsema dan de Amsterdam Arena op slot?
En kan de gemeente trouwens eigenlijk wel besluiten wat een kerkgebouw is en wat niet? Want dat is toch eigenlijk een theologische kwestie. En wij hebben in Nederland een strenge scheiding van godsdienst en staat. Dus aan wie had burgemeester Hoes nou eens moeten vragen wanneer een bijeenkomst een kerkdienst is en wanneer niet?
Aan de godsdienstwetenschappers van de universiteit! Dat is misschien een idee! Tilburg heeft niet voor niks de meest vooraanstaande katholieke theologische faculteit van het land, toch?
Maar als hij dat werkelijk zou doen zou hij raar op de koffie komen. Dan zou hij namelijk van de heren professoren het volgende antwoord krijgen.
‘Wij kunnen daar geen antwoord op geven omdat niemand weet wat religie is. Niemand kan je een werkbare definitie van het woord religie geven.
Dat is toch wel raar. Religie is toch een begrip waar iedereen beeld bij heeft. Daar kunnen we het toch niet bij laten zitten. Er moet voor die arme burgemeester van Tilburg toch een antwoord mogelijk zijn?
Kom op, ik vogel samen met jullie even uit wat religie ook alweer was. Want dat weten we toch stiekem allemaal? Of niet dan?
Laten we voorzichtig beginnen en nog niet gelijk te veel invullen. Religie is iets dat zich spontaan manifesteert in groepen mensen. Dat is alvast iets. Ook kunnen we wel veilig naar het verleden kijken, want dat verandert niet meer en staat vast. Toch? Religie is iets dat altijd zo goed als alomtegenwoordig is geweest, kunnen we dan zeggen. Als archeologen opgravingen doen vinden ze vrijwel altijd sporen van gebouwen en voorwerpen en gewoonten die erop wijzen dat mensen veel energie en bezit investeerden in... nou, eigenlijk het weggooien en in brand steken en verspillen van energie en bezit. Ze bouwden een soort paleizen voor standbeelden die ze ook nog eten en drinken gaven. Of ze begroeven hun doden met een hele uitzet. Of ze gooiden hun kostbaarste spullen in moerassen. Sommigen van hen werden priesters en priesteressen en wijdden hun hele leven aan het uitvoeren van handelingen die geen praktisch nut hadden. Het lijkt erop dat ze probeerden iets ongrijpbaars of iemand met wie je niet op de normale manier een praatje aan kunt knopen een plaats te geven in hun dagelijks leven. Een belangrijke plaats zelfs.
Enfin, als je goed hebt opgelet heb je al wel opgemerkt dat ik voortdurend woordjes als ‘vrijwel altijd,’ ‘bijna overal,’ en ‘zo goed als dit of dat’ gebruik. Ik ben de hele tijd aan het nuanceren en bijstellen. Hou dat even in gedachten.
Goed: laten we eens een beginnetje van een definitie van religie proberen te bakken: ‘Religie is een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ Dat durf ik nog wel te zeggen.
Maar zo laat ik ook wel veel weg. Ik laat zelfs, voor mijn gevoel, het belangrijkste weg. Stel je voor dat je zou moeten raden naar wat er bedoeld wordt met de omschrijving: ‘...een systeem van schijnbaar ondoelmatige handelingen dat deel uitmaakt van de cultuur van groepen mensen.’ ‘Voetbal,’ zou je misschien zeggen. Of ‘ambtenarij!’
Mijn definitie is dus zo incompleet dat ie volkomen waardeloos is. En we weten onmiddellijk wat eraan mankeert: goden en priesters en tempels en rituelen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Zo dachten de beroemde onderzoekers op dit terrein in de negentiende en twintigste eeuw er ook over. Zij waren de eersten die probeerden academische definities van religie op te stellen, en kwamen allemaal precies met die elementen. De eerste die wordt genoemd is meestal de antropoloog Edward Burnett Tylor die in 1871 religie definieerde als ‘het geloof in geestelijke wezens.’
Dat klinkt de meesten van jullie waarschijnlijk logisch in de oren. Duh. Alleen zijn volgens Tylors definitie een heel stel religies geen religies. Waaronder een paar toch best belangrijke. Zoals de meest klassieke vorm van theravada boeddhisme. Zeg maar Laos en Thailand en zo. Confucianisme, daoisme en zen. China en Japan zijn dus ook niet religieus, schijnbaar.
Dat werkte dus niet en er kwamen nieuwe, verbeterde definities. De psycholoog William James schreef in 1902 over religie als ‘...de gevoelens, daden en ervaringen van individuele mensen in hun eenzaamheid als zij menen zich te verhouden tot wat zij dan ook maar als het heilige beschouwen.’
Je ziet dat het al snel ingewikkelder wordt. Toen hij probeerde uit te leggen wat ‘dat heilige’ dan zou moeten zijn kwam hij uit op alles wat de mensen als een godheid behandelen, waarmee hij eigenlijk gewoon herhaalde wat hij al gezegd had.
De meest invloedrijke figuur ooit op dit terrein was waarschijnlijk Émile Durkheim, een van de grondleggers van de academische sociologie, moge God het hem vergeven. Hij definieerde een religie als: ‘...een geïntegreerd systeem van geloofspunten en praktijken met betrekking tot heilige dingen, dat wil zeggen dingen die zijn afgezonderd en verboden. Allen die die geloofspunten en praktijken aanhangen vormen zich tot een enkele morele gemeenschap, een kerk.’
Geen mirakel van literaire schoonheid, deze beschrijving, maar bovendien bleef er ook niet veel van overeind.
De ellende is namelijk dat sinds al die definities zijn opgesteld, er massa’s antropologen en dergelijke over de wereld zijn uitgezwermd om zoveel mogelijk culturen in kaart te brengen. Die kwamen vervolgens met uitzonderingen op ongeveer elk element in elke definitie. ‘In de Siberische Taiga,’ zo beginnen ze dan, ‘leeft een stam die...’ Die stam blijkt dan wel gewoonten te hebben die wij als religieus zouden bestempelen, maar geen goden te hebben en ook geen geesten en geen priesters en zo verder en zo meer. Jij gaat dan vervolgens je definitie weer aanpassen, waarop zij met een zeevolk uit Polynesië komen dat zeker dingen doet die jij naar godsdienst vindt rieken, maar die niet passen in jouw beschrijving.
Je zou, met veel hangen en wurgen, misschien tot zoiets kunnen komen als: ‘Het verschijnsel religie wekt de indruk een vorm van uitwisseling te willen zijn tussen mensen en een werkelijkheid die via de normale menselijke communicatiemethoden niet bereikbaar is.’
Goed, ik begin alweer in drijfzand te lopen. Want wat is een normale menselijke communicatiemethode? Zijn godsdienstige rituelen geen normale menselijke communicatiemethoden? Mensen zijn rare, ingewikkelde beesten en dingen die mensen samendoen kun je niet zomaar meten met een apparaat of een gps-bepaling of zo. Je kan niet iemand een thermometer in zijn achterste steken en daar de intensiteit van zijn godsvrucht aan aflezen, als is zoiets wel geprobeerd. Daarom zijn er legio nogal ingewikkelde methoden uitgedokterd om er toch iets over te zeggen. Ik zou je die uit de doeken kunnen doen, maar ik begin nu al te gapen.
De ster die op dit moment nog eventjes het helderst schijnt aan het firmament van dit soort onderzoek is een Amerikaanse antropoloog met de welluidende naam Clifford Geertz. Ik lees je zijn definitie nog even voor, juist om je te laten zien hoe dit alles uit de hand loopt, en daarna gaan we naar een meer praktische benadering voor onszelf op zoek. Daar gaat ie, Clifford Geertz:
‘Religie is een systeem van symbolen dat ertoe werkt krachtige, alomtegenwoordige en langdurige stemmingen en drijfveren in mensen te vestigen, door opvattingen te formuleren over een algemene orde van het bestaan en deze opvattingen te bekleden met een zodanige schijn van feitelijkheid dat die stemmingen en drijfveren zich als bij uitstek werkelijk voordoen.’[1]
Je merkt al wel dat de goede man niet onbevooroordeeld is ten opzichte van zijn onderwerp. Het klinkt bijna als een complottheorie. Een hele wollige, slaapverwekkende complottheorie, dat wel.
Ik wil, zoals ik al zei, weg uit deze fuik. Want ik weet heel goed wat ik met het fenomeen religie bedoel, en ook wat ik er wel en niet mee wil. Zodoende neem ik mijn toevlucht tot een oude woestijnvaderstruc. Die zegt: sla de satan met Beëlzebub, oftewel: ga het probleem te lijf met zijn eigen wapens.
Daarom grijp ik maar even naar het werk van een andere coryfee van de godsdienstwetenschappen: Talal Asad. Hij zegt, ik parafraseer het maar even, dat religie een westers, christelijk, Europees etiket is dat je alleen in de Europese culturele ruimte zonder ongelukken kunt gebruiken.
Natuurlijk niet omdat de ervaring die het beschrijft elders niet bestaat, maar omdat die ervaring verder nergens op die manier als iets afzonderlijks van de rest van de cultuur wordt beschouwd. Het woord ‘religieus’ heeft alleen zin als er ook een woord ‘seculier’ bestaat dat doelt op een bereik waar al het godsdienstige geen directe, formele macht heeft of zou moeten hebben.
Welnu, het ‘seculiere’ is een uitvinding van het christendom. Daarbuiten heeft het nooit bestaan, en het blijkt ook lastig te exporteren. Mensen uit andere culturen snappen gewoon niet waar je het over hebt. En dat is ook niet zo vreemd als we nog eens beter kijken naar wat de wortel ervan is.
Talal Asad schrijft het idee van ‘het seculiere’ specifiek toe aan het protestantisme en de verlichting en nog een paar van die typische lievelingsdingetjes van de intelligentia van de vorige eeuw.
Hij maakt het alleen veel te ingewikkeld. In werkelijkheid is ‘het seculiere’ een uitvinding van Jezus Christus, of anders van een van zijn evangelisten die Hem het idee in de mond heeft gelegd.
Bij Mattheüs, Marcus en Lucas zegt Jezus: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.’ Johannes maakt het nog bonter. Als Jezus helemaal tot pulp geslagen en met doornen gekroond voor Pilatus wordt neergezet vraagt die Hem naar zijn koninkrijk. Dan zegt Hij:
‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben en hebben voorkomen dat Ik zou worden uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet van hier.’
Dit alles heeft voor zowel de praktijk als de betekenis van deze hele problematiek natuurlijk verregaande consequenties. Want als het onderscheid tussen religieus en niet-religieus een uitgesproken christelijke manier van kijken is, zou de staat zich daar volgens haar eigen principes helemaal niet mee bezig mogen houden. Als zij bepaalt wat wel en geen kerk is gedraagt zij zich impliciet als een religieuze autoriteit. Een christelijke autoriteit, zelfs.
Aan dat dilemma ontsnappen kan de staat niet, want ook haar eigen heilige principes zijn precies dat: heilig. Het idee van de scheiding van Kerk en staat is fundamenteel christelijk.
Goed, religie is dus een westers begrip dat christelijke wortels heeft en alleen in de westerse context zin heeft. En waaraan in het westen ook niet te ontsnappen valt, duidelijk. Maar wat ís het nou eigenlijk? Want daar zijn we nog steeds niet uit.
Mijn persoonlijke mening is dat religie stiekem een werkwoord is, en dat het slaat op het rituelen voltrekken. Religie is dus volgens mij synoniem met liturgie.
Waarom daarover een hoop mensen boos zullen worden en wat dat allemaal betekent leg ik de volgende keer uit.
[1] C. GEERTZ, Religion as a Cultural System, in ID., The Interpretation of Cultures, New York, Basic Books, 1973, 87–125, hier 90.










