Het introitus van vandaag is typisch zo’n gezang dat in je systeem gaat zitten als een teken van de tijd. De Adventstijd in dit geval.
Tot vorig jaar leefde de goede Jakob Halsema nog, de laatste overlevende van de oude, authentieke Groninger cultuur van de Ommelanden.
Behalve op zondag, want hij was trouw aan zijn Kloosterbuurster parochiekerk, kwam hij hier vrijwel elke dag naar de Mis. Dan genoot hij ervan om mij goedmoedig te wijzen op de liturgische fouten die ik af en toe maakte. Want hij kende het oude Missaal ongeveer uit het hoofd.
Hij was zó stokoud dat hij zelfs de regeltjes nog precies kende die in 1950 al waren afgeschaft, mét het bijbehorende Kerkchinees. Dat diende hij dan op met de juiste uitspraak, die de Latijnse kerkvaders ook al hadden gehad. ‘As t’r een gloriaa is, is t’r gain benedicaamus doominoo,’ kreeg ik dan te horen.
Op het laatst werd hij erg doof, en had hij niet in de gaten dat hij soms mijn rol als priester ongemerkt had overgenomen. ‘Paanem de Caelo praestitisti eius,’ brulde hij dan. ‘Omne delectamentum in se habentem’ riep ik dan maar gewoon terug, waarop Jacob keurig de hele slotoratie zong. Eerst nog zuiver, later niet meer zo zuiver.
Voor mij klonk het hoe dan ook als engelengezang, want ook als de zuiverheid van de noten te wensen overliet was de zuiverheid van de intentie glashelder.
Want Jacob méénde zijn katholiek zijn, uit de grond van zijn hart.
Op een gegeven moment kon hij niet meer komen en moest ik hem de Communie thuis gaan brengen. Vorig jaar of twee jaar geleden, daar wil ik af zijn, raakte hij daarbij helemaal ontroerd. ‘Ad te levavi animam meam,’ zei hij, met glanzende ogen. De introitus van vandaag. Tot U, Heer, heb ik mijn ziel opgeheven.’
‘En mijn vijanden zullen niet de spot met mij drijven, want zij die hopen op uw komst worden niet beschaamd, volgt daarop.’
Inderdaad heeft de hoop van de christen op de komst van de Verlosser een geheimzinnige kracht, die de ziel totaal transformeert. De hoop van de christen op de komst van de Christus is stiekem al de Christus zelf. Niet in zijn verblindende Majesteit en zijn overweldigende macht, maar als de morgenster die, als alles nog pikdonker is, boven de horizon uitpiept. Die is meer een eerste signaal van licht dan dat hij nou zelf al veel verlicht. Probeer er maar eens een boek bij te lezen.
Aan de andere kant: probeer hem maar eens terug achter de horizon te duwen. Gaat je niet lukken. Met geen legers en bommen, met geen wetten en verdragen, met geen opgeheven vingertje en met geen cynische opmerkingen is dat sterretje weer onder die zwarte rand te krijgen.
Hij pinkelt brutaal. Alsof de liefde tegen het kwaad zijn tong uitsteekt. Ik ben er nog niet. Maar ik ben er stiekem ook de hele tijd al. Amen.










