De laatste tijd stikt het ineens van de vers bekeerde katholieke mannetjes die mij uitschelden voor modernist. Dat is in ieder geval een fris prespectief, want het grootste deel van mijn leven ben ik nogal eens voor aartsconservatief uitgemaakt. Dus fijn dat er eens wat nieuws onder de zon is. Maar ik heb wel de indruk dat deze jonge traditionele katholieken niet echt goed begrijpen wat het woord ‘modernisme’ precies betekent. Ik snap dat, want het is ook écht een héél moeilijk woord. Zelfs de mensen die het bedacht hebben konden destijds al niet goed uitleggen wat ze er eigenlijk mee bedoelden. Een beetje zoals je tegenwoordig het woord ‘synodaliteit’ hebt. Enfin, dat is een ander verhaal. Dat moet maar eens worden behandeld door iemand die ervoor betaald wordt en dus wel zal moeten.
Ik beperk mij vandaag tot modernist en modernisme. Ik zal eens grondig uitleggen waar dat woord vandaan komt en wat het nou eigenlijk wel en niet betekent. Dan kunnen al die opgewonden kleine conservatieve vadermansjes mij er in het vervolg met recht en reden voor uitschelden. Of misschien ook wel niet. Maar daar komen we dan nu achter.
(intro)
Voordat ik echt van wal steek nog even voor de echt ongeduldige tiktokbreinen onder ons: op paterhugo.nl heb ik een cheat sheet modernisme klaargezet. Link in de beschrijving.
Ok: daar gaan we dan: Een modernist in de katholieke zin is alvast niet zomaar iemand die de liturgie wil verpesten met banaal gedoe of sacrale dans of brood-en-watervieringen of malle liedjes. Zo iemand noemen wij in de katholieke Kerk gewoon een prutser of, als hij ervoor gestudeerd heeft, een vakliturgist, maar niet persé een modernist.
Ook bedoelen we met dat woord niet iedereen die in het algemeen moderne ideeën heeft over de Kerk of de theologie of de ethiek. Iemand die vrouwen priester wil laten wijden of homo’s kerkelijk wil laten trouwen is wel erg modern, maar niet persé een modernist. Kán wel, maar hoeft niet persé.
Wat is dan wél precies een modernist? De definitie is ongeveer als volgt:
Een katholieke modernist is iemand die het christelijk geloof helemaal probeert te begrijpen vanuit de moderne historische wetenschap en de moderne filosofie. En dat niet zómaar, maar zó dat dogma’s niet meer in de eerste plaats worden gezien als onveranderlijke waarheden die God heeft geopenbaard. Ze worden gezien als menselijke formuleringen van een religieuze ervaring. Die formuleringen ontwikkelen zich door de geschiedenis heen en zouden ook zomaar kunnen veranderen of zelfs worden achtergelaten.
Dat de definitie zo lang is geeft al wel aan dat het om een behoorlijk vaag begrip gaat. In ieder geval is vooral die laatste zin heel essentieel. Dus dat de grote geloofswaarheden van de Kerk zich niet alleen ontwikkeld hebben, maar ook nu nog kunnen veranderen of zelfs worden losgelaten. Iemand die dat niet duidelijk zo verkondigt is per definitie niet geen modernist.
Vanaf de achttiende eeuw ontwikkelden de moderne wetenschappen zich ineens razendsnel, en in de negentiende eeuw zorgde dat ervoor dat het wereldbeeld van de mensen in feite niet meer tot rust kwam. Elke keer als je dacht dat je het snapte veranderde alles weer. De geologie maakte duidelijk dat de aarde niet duizenden, maar tenminste miljoenen jaren oud was. Darwin verscheen met zijn theorieën over de evolutie, rare verhalen over de mensen die van apen afstammen.
Electriciteit, licht en magnetisme bleken min of meer hetzelfde verschijnsel te wezen. Ziekten bleken nogal eens te komen van levensvormen die zo klein zijn dat je ze niet kan zien. Het was om stapelgek van te worden.
Wat heel belangrijk is, en ik daarom ook maar blijf benadrukken, is dat mensen voor het eerst op grote schaal gingen reizen. Daardoor kwamen er echt persoonlijke contacten met mensen met totaal andere religies uit totaal andere culturen. Dat maakte het veel lastiger om die religies en culturen als alleen maar monsterlijk of vreemd te blijven zien.
Maar dat leverde wel twijfels op aan hoeveel waarheid van God er misschien ook wel in die andere tradities zou kunnen zitten. En sommige mensen begonnen zich zelfs af te vragen hoe absoluut de eis van Jezus was dat zijn leer overal verkondigd moest worden.
Dat alles raakte dus hier en daar al behoorlijk aan het geloof, maar een hoop andere dingen nog veel directer. Voor het eerst werd het bijvoorbeeld duidelijk dat de Bijbel bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Zo ontdekte een zekere George Smith tussen een berg Assyrische kleitabletten een voorloper van het verhaal over Noach en de ark.
Het was duidelijk dat het Bijbelse verhaal daarvan afhankelijk was geweest. De uiteindelijk strekking was ook nog eens anders: God verdelgde de mensen niet omdat ze zo zondig waren, maar omdat ze teveel lawaai maakten. Dit alles maakte het wel moeilijk de zonvloed en de redding van Noach nog letterlijk te nemen.
Sowieso toonden Bijbelgeleerden aan dat de vijf eerste boeken van het Oude Testament, waarvan iedereen altijd had geloofd dat ze door Mozes geschreven waren, door een hele hoop mensen in een hele hoop verschillende tijden waren geschreven. En daarna nog eens door een hele hoop mensen door elkaar waren gehusseld en veranderd en herschreven, dat ook nog.
Dan waren er nog de geleerden die zich op de ideeën van kerkvaders stortten. En ook die ontdekten van alles. Eigenlijk dwaas, want het ging hier om geschriften die altijd al gewoon beschikbaar waren geweest en gedeeltelijk zelfs in de liturgie zaten. Maar iedereen had er al die tijd overheen gelezen. Het viel nu toch wel op dat allerlei heilige kerkvaders er in de eerste eeuwen van het christendom ketterse ideeën op na hadden gehouden.
Nou ja, eigenlijk konden die ideeën toen nog niet ketters zijn, omdat de orthodoxe leer er gewoon nog niet was. Dat gold voor de heilige Justinus de martelaar, de heilige Cyrillus van Alexandrië en zelfs, in zekere zin, voor de heilige Athanasius.
De clou van dit alles bij elkaar was dat vrijwel alles ineens een geschiedenis kreeg. De aarde had een geschiedenis. Diersoorten hadden een geschiedenis. De mens had een geschiedenis. Talen hadden een geschiedenis. Beschavingen hadden een geschiedenis. En uiteindelijk bleken ook Bijbelteksten, dogma’s en religieuze instituties een geschiedenis te hebben.
Waarschijnlijk kijk je daar helemaal niet zo erg van op, en ook in de negentiende eeuw hadden ze dat op zich ook wel de hele tijd al geweten. Maar ze waren al heel lang niet meer gewend geweest om er ook zo naar te kijken.
Tussen de elfde en de vijftiend eeuw had er een stroming gebloeid in de theologie die we ‘scholastiek’ noemen. Die had ertoe geleid dat de katholieke theologie veel meer naar de werkelijkheid was gaan kijken als een systeem dan als een geschiedenis.
Niet de ontwikkeling van het christelijke denken stond centraal, maar de samenhang ervan in het hier en nu. De scholastici keken niet chronologisch naar de katholieke werkelijkheid, maar synchroon, zo noemen we dat dan.
Ze beweerden het niet, maar hun werk wekte evengoed wel de indruk, dat de christelijke werkelijkheid even statisch was als de natuur. Dat het geen verhaal was, geen relatie van God met de mens die zich ontwikkelde, maar een kristallijn stelsel van verbanden, hiërarchieën en systemen.
Dat beeld versterkte zich nog eens toen verschillende scholastici een soort totaaltheologieën begonnen te schrijven - boeken waarin ze probeerden heel de christelijke leer samen te vatten.
De beroemdste van die theologen was de heilige Thomas van Aquino, die heel de werkelijkheid doorrekende aan de hand van het denken van de klassieke filosoof Aristoteles. Hij schiep een soort symfonische dogmatiek waarin alles met alles samenhing. Officieel maakte hij het niet eens helemaal af, maar toch oogde het zo compleet dat het inderdaad zoiets als de illusie van de definitieve voltooiing van de theologie wekte bij veel mensen.
Zelf zou hij die suggestie trouwens bespottelijk hebben gevonden, maar het probleem met dit soort meesterwerken is nou eenmaal dat als je eenmaal dood bent anderen vrij zijn om wat je hebt gedaan te verabsoluteren totdat ze er blauw van aanlopen. En dat werd ook gedaan.
Zijn ‘Summa Theologiæ’ werd zo invloedrijk dat de hele theologie er een totaal andere smoel van kreeg. In feite is dat enorm ironisch, want het verkeerd begrijpen van zijn mentaliteit zou nou juist leiden tot het gevoel dat dat helemaal niet kon, drastische veranderingen in de theologie.
Thomas’ manier van denken ging na zijn dood nooit meer weg, maar liep in het begin ook niet uit de hand. Maar in de loop van de negentiende eeuw kreeg de Kerk het benauwd, door allerlei omstandigheden. Allerlei oude zekerheden vielen weg. De kerkelijke staat werd afgepakt, de paus was in het vervolg alleen nog een geestelijke leider. Allerlei ontdekkingen en andere manieren van kijken - ik heb het net al beschreven - bezorgden veel mensen twijfels aan het geloof.
Dat merkte je ook in de politiek. Vooral in Frankrijk ontstond een vorm van liberalisme die sterk tegen de Kerk gekant was. De overheid en de intellectuele bovenlaag van de samenleving begon het geloof nogal eens actief tegen te werken.
Het lukte de Kerk niet om daar soepel op te reageren. In plaats daarvan trad er een soort defensieve verkramping op. En in de theologie gebeurde dat door aan de hand van de systemen van Thomas een nog veel fijnmazigere systematisering door te voeren. Er werden voor elk terrein van de theologie handboeken geschreven waarin elk detail van de werkelijkheid tot in de diepste poriën werd vastgelegd. In genummerde lemmaatjes, lekker helder, lekker duidelijk.
De priesters die hieraan werkten noemden zichzelf thomisten, maar tegenwoordig spreken we over dit stadium in de theologie als het neothomisme.
Dit alles werd in eerste instantie ervaren als een enorm positieve ontwikkeling. Op 4 Augustus 1879 publiceerde paus Leo XIII de encycliek ‘Aeterni Patris,’ officieel over het herstel van de christelijke filosofie. Daarin maakte hij van Thomas van Aquino de normatieve intellectuele gids voor de katholieke filosofie en, daarmee nauw verbonden, de scholastieke theologie.
Paus Leo windt er geen doekjes om in dat geschrift. Thomas is onder de scholastieke doctoren:
“omnium princeps et magister”
“de eerste en meester van allen.”
En zijn leer geldt als een “singulare praesidium et decus” van de katholieke Kerk — een bijzonder bolwerk en sieraad van het katholieke geloof.
Iets later maakte hij het nog concreter. In ‘Depuis le jour’ uit 1899 schreef hij over de priesteropleiding dat daar vooral de Summa van Thomas moet worden onderwezen.
Dat alles klinkt op zichzelf niet rampzalig, maar bedenk even dat de ontwikkeling op dat moment buiten de seminariemuren precies andersom draait. Binnen leert de geestelijkheid naar de werkelijkheid kijken op een manier die bij uitstek statisch en systematisch is, terwijl er buiten het seminarie steeds historischer naar de wereld wordt gekeken.
Naar waar dingen vandaan komen, hoe ze zijn gegroeid en aan de hand daarvan: waar het naartoe zou kunnen gaan. Maar de neothomistische theologie ging nergens naartoe, want die was al volmaakt. Tenminste voor het gevoel van de kerkelijke autoriteiten.
Als paus Leo zou zijn opgevolgd door iemand die, net als hij, een diplomaat en een genuanceerde intellectueel zou zijn geweest, dan zouden al deze ontwikkelingen misschien wel weer tot een gezond evenwicht zijn gekomen. Maar er kwam een totaal andersoortig karakter op de pauselijke troon: een zekere Giuseppe Sarto, die paus werd onder de naam Pius X.
Hij was van heel eenvoudige afkomst. Hij had zeker minstens een normaal verstand, maar wel vooral een praktisch verstand. Intellectuele nieuwsgierigheid was niet zijn voornaamste deugd. Per slot van rekening had je die niet persé nodig om je ziel te redden, en dat was het enige wat ertoe deed.
Al die nieuwigheden in de wereld vervulden hem met argwaan, en hij begon het al snel als zijn taak te zien om de Kerk te beschermen tegen alle -ismen die tijdens zijn leven overal welig waren begonnen te tieren. Zo was socialisme bijvoorbeeld al overal een ding, maar gelukkig had zijn voorganger op dat terrein al bergen werk verzet.
Pius zelf begon dan ook vooral te strijden tegen de opvolgers van het typische negentiende-eeuwse liberalisme: de secularisering, de scheiding van Kerk en staat, democratisering, emancipatie.
Vooral de Franse regering gooide bij hem de hele tijd olie op het vuur door een agressieve politiek tegen de Kerk te voeren. De kloosters werden grotendeels verboden, net als katholiek onderwijs. De regering verbrak de diplomatieke betrekkingen met de paus en er kwam een intense, nerveuze scheiding tussen Kerk en staat die in Frankrijk trouwens nog altijd een ding is.
Paus Pius was achteraf niet de juiste persoon om met dit soort verschijnsels verstandig om te gaan. In plaats van ervoor te zorgen dat Kerk en wereld elkaar bleven verstaan probeerde hij de kerkelijk wereld - en vooral de theologie - te isoleren van de ontwikkelingen buiten.
In die context was hij eigenlijk degene die het woord ‘modernisme’ uitvond in de betekenis die het in de Kerk heeft gekregen. 1907 publiceerde hij de encycliek Pascendi Dominicis Gregi. Daarin beschreef hij modernisme als een bepaalde mentaliteit ten opzichte van het geloof die op allerlei gebieden dwalingen zou veroorzaken.
In het Bijbelonderzoek ging het om historisch kritisch onderzoek. Dat was op zichzelf nog geen modernisme, maar wel als er werd beweerd dat de historische Jezus van Nazareth eigenlijk een totaal andere Figuur was dan de Christus van de Kerk.
Onderscheid maken tussen de historische Jezus en wat latere christenen over Hem hebben gezegd is natuurlijk gewoon een eerlijke historische methode. Het wordt pas modernistisch als heel die figuur van „Christus” niks anders is dan de geloofsconstructie van de gemeenschap en nauwelijks nog wat te maken heeft met Jezus van Nazareth zoals Hij werkelijk was.
In de dogmatiek ging het om het idee dat leerstellingen zich ontwikkelen. Ook dat is op zichzelf nog geen modernisme. Je krijgt pas een probleem als een dogma geen blijvende waarheid meer uitdrukt, maar alleen een tijdelijke verwoording van een steeds veranderende religieuze ervaring is.
In de mystieke theologie speelt het als volgt: God wordt door mensen ervaren. Natuurlijk is dat zo, en dat is zeker geen modernisme. Het probleem ontstaat als openbaring uiteindelijk wordt herleid tot niks anders dan een beweging in het menselijke religieuze bewustzijn, zodat niet langer duidelijk is dat God werkelijk van buitenaf tot de mens spreekt en zichzelf openbaart.
In de kerkgeschiedenis bestond het ook, dat modernisme. Bisschoppen en priesters en zo, en heel de liturgie en de andere kerkelijke dingen hebben zich historisch ontwikkeld. Dat is gewoon geschiedenis, en geen modernisme. Maar volgens paus Pius gaat het fout als bijvoorbeeld Christus de Kerk niet werkelijk gesticht heeft, maar het geloof daarin maar een latere legitimering is van een instituut dat maar toevallig zo in de geschiedenis is gegroeid.
En dan is er natuurlijk nog de filosofie. Als die zegt dat menselijke kennis historisch is, en maar heel beperkt: prima. Maar niet als wij daardoor principieel geen objectieve kennis van de bovennatuurlijke werkelijkheid meer zouden kunnen krijgen. En ook niet als geloofsuitspraken alleen nog maar symbolische uitdrukkingen van onze ervaring worden.
Op alle terreinen van het kerkelijke leven zag Pius dus dit soort tendensen. Geen wonder dat hij het modernisme de ‘Summa van alle ketterijen’ noemde.
Het pauselijke gezag was destijds zo enorm dat we ons daar vandaag de dag helemaal niks meer bij voor kunnen stellen. In eerste instantie probeerde dus vrijwel iedereen na het lezen van die encycliek van harte de paus te gehoorzamen. Te begrijpen wat hij met ‘modernisme’ bedoelde en het dan ook serieus te vermijden.
Maar dat was nog niet zo eenvoudig. Want die neothomistische handboekentheologie waar ik het net al even over had was wel heel dwingend geworden, en eigenlijk ook geestdodend. Nogal wat kerkelijke denkers begonnen het benauwd te krijgen.
Als je gelatine in een aquarium gooit zie je de vissen steeds langzamer zwemmen en de waterplanten steeds langzamer wuiven tot het hele tafereel tot stilstand is gekomen in een statisch tableau. Transparant, maar onbeweeglijk. Ook kunnen die vissen op den duur geen adem meer halen. Ze sterven en beginnen vreselijk te stinken.
Iets dergelijks gebeurde er nu ook in de Kerk. Het nadenken over God en de werkelijkheid kristalliseerde, versteende, fossiliseerde tot er nauwelijks nog beweging of creativiteit mogelijk was. En dat terwijl de wereld om het kerkelijke aquarium heen juist onstuimig in beweging was. Dat ging niet goed.
Daarbij is het geen klassieke katholieke deugd om de gekende waarheid te ontkennen. Al die ontdekkingen over het ontstaan van Bijbelse geschriften konden bijvoorbeeld op den duur niet meer buiten de deur worden gehouden zonder dat het belachelijk werd.
Nou hoeft dat alles niet onmiddellijk het geloof op losse schroeven te zetten. Stel je voor dat iemand op een heel historisch-kritische manier Bijbelonderzoek doet. Hij beweert stellig dat volgens hem Goliath niet gedood is door David, maar door een zekere Elchanan. Daar zul je verbaasd over zijn, maar het wordt nog bonter.
Hij zegt ook nog dat hij niet gelooft dat Mozes en Abraham historische figuren zijn. Verder beweert hij dat het monotheïsme van Israël pas echt doorbrak in de Babylonische ballingschap, en dat in de tempel van Salomo dus niet alleen God, maar ook zijn vrouw Asjera en een hele rits kindertjes van die twee als goden werden aanbeden. Dan zegt hij ook nog dat bijna de helft van de brieven van Paulus vervalsingen zijn.
Al deze dingen zijn tegenwoordig redelijk courante standpunten in de Bijbelwetenschap, sommige zelfs meerderheidsstandpunten. Niemand ligt er meer wakker van. Maar aan het begin van de twintigste eeuw raakten mensen van dit soort stellingen nog totaal overstuur. Het schopte hun wereldbeeld in de war. Want als de Bijbelse geschiedenis zoveel misverstanden en zelfs bedrog bevatte, was heel dat prachtige, statische, volmaakte, neothomistische bouwwerk van de katholieke theologie dan op drijfzand gebouwd?
Uit die materie ontstond het conflict rond Loisy, één van de beroemdste veroordeelde modernisten. Hij zei:
« Jésus annonçait le Royaume, et c’est l’Église qui est venue. »
“Jezus verkondigde het Koninkrijk, en de Kerk is gekomen.”
Hij bedoelde daarmee niet simpelweg: Jezus verkondigde het Koninkrijk, maar helaas kregen we de Kerk. Zijn punt was subtieler: Jezus heeft niet tijdens zijn aardse leven de katholieke Kerk gesticht als het instituut zoals wij het kennen. Die Kerk is historisch ontstaan, in de loop der eeuwen, uit de Jezusbeweging en haar verkondiging van het Koninkrijk.
Hetzelfde gold volgens Loisy voor dogma’s. De latere christologische en trinitarische definities bestonden niet kant-en-klaar in het bewustzijn van de historische Jezus en zijn ook niet letterlijk terug te vinden in het Nieuwe Testament. Ze zijn ontstaan doordat de Kerk haar geloof onder veranderende historische en intellectuele omstandigheden steeds opnieuw formuleerde.
Hij raakte zo drie gevoelige punten:
- De historische betrouwbaarheid en de ware aard van de Bijbel
- De stichting en het goddelijke fundament onder de Kerk
- De verhouding tussen de onveranderlijke openbaring van God en dogmatische formuleringen die duidelijk wel veranderd zijn in de loop van de tijd.
Hij probeerde het katholieke geloof zó opnieuw te construeren dat het compleet mee kon gaan in de historische ontwikkeling. In Rome waren ze - en daar hadden ze wel gelijk in - bang dat het daarbij niet alleen meer ging om de formulering van geloofswaarheden, maar ook om de inhoud ervan.
Loisy werd uiteindelijk geëxcommuniceerd.
Min of meer tegelijkertijd deed zich net zoiets voor rond de Ierse priester en Jezuïet George Tyrell. Hij was geen Bijbelwetenschapper, maar vooral een godsdienstfilosoof. Zijn centrale probleem was: hoe kan het christelijk geloof werkelijk hetzelfde blijven wanneer de filosofische en culturele wereld waarin zijn dogma’s zijn geformuleerd radicaal verandert?
Tyrrell maakte daarom een scherp onderscheid tussen de religieuze ervaring van het geloof en de theologische en dogmatische formuleringen daarvan.
Dogma’s zijn volgens hem absoluut nodig: anders kan de Kerk haar geloofservaring niet uitdrukken. Maar zulke dogma’s zijn wél historisch bepaald en kan je niet één op één gelijkstellen met de goddelijke werkelijkheid zelf.
Dat bracht ook hem in conflict met Rome. Tyrrell vond dat de Kerk te gemakkelijk deed alsof scholastieke begrippen en stellingen rechtstreeks zo door God geopenbaard waren. Sterker nog: volgens hem konden dogma’s rustig veranderen, niet alleen qua verwoording maar ook qua inhoud en dan toch nog dezelfde geloofswaarheid overdragen.
Het conflict escaleerde nadat Tyrrell openlijk kritiek leverde op de antimodernistische politiek van Pius X. In 1906 werd hij uit de jezuïetenorde gezet. Nadat hij felle kritiek had geuit op de encycliek Pascendi, waar we het al over hebben gehad, werden hem de sacramenten ontzegd.
Hij mocht zelfs geen kerkelijke begrafenis krijgen toen hij in 1909 stierf. Zijn vriend, de priester Henri Bremond, woonde de begrafenis alleen maar bij en sprak bij het graf. Zelfs daarvoor werd hij nog een tijd gesuspendeerd. Wegens trouwe vriendschap gesuspendeerd in naam van Christus. Triest...
De modernistenstrijd was het station van de christelijke naastenliefde ondertussen ver gepasseerd. De situatie begon steeds meer te lijken op die van de communistenvervolgingen in het Amerika van veertig jaar later. In het Vaticaan regeerde de paus vooral samen met de kardinalen Merry del Val en Gaetano de Lai als een soort antimodernistische Drieëenheid. Vooral die laatste stimuleerde de oprichting van een soort antimodernistische geheime dienst met spionnen en verborgen netwerken, het zogenaamde Sodalitium Pianum.
Dat leverde in de praktijk de volgende situatie op:
Stel je voor, je bent een wereldberoemde theologieprofessor aan een vooraanstaande universiteit. Je spreekt voor volle zalen en je boeken worden overal gelezen. Maar je bent voortdurend bang. Dat is op jouw leeftijd en met jouw staat van dienst volkomen gestoord, maar het is zo. Sterker nog: je krijgt het elke dag benauwder. Want het is 1911 en je leeft dus midden in de modernistenvervolging in de katholieke Kerk onder paus Pius de Tiende.
Wat betekent dat voor jou? Laten we zeggen dat je mystieke theologie doceert. Dat is geen vak dat je kiest omdat je carrière wilt maken, maar omdat je gedreven wordt door échte nieuwsgierigheid naar de directe ontmoeting met God en de onmiddellijke ervaring van de fundamenten van de werkelijkheid. Zo is het ook voor jou. En je verlangt er ook naar die nieuwsgierigheid dóór te geven aan jonge mensen.
Je zou dus eigenlijk zielsgelukkig moeten zijn met de positie als hoogleraar die je nu hebt. Die past precies bij wie je wil zijn en wat je wil doen.
Maar je bent niet gelukkig, want van dat alles komt niets terecht. Want elke keer als je het wilt hebben over het geloof als een persoonlijke ontmoeting met God hangen je reputatie en je baan aan een zijden draadje.
De kerkelijke autoriteiten zijn namelijk doodsbang voor dat soort katholiek zijn. Ze noemen dat, met een nieuw woord, ‘modernisme.’ Daarvan is niet helemaal duidelijk wat het betekent, wat het nog griezeliger maakt. In ieder geval willen de ambtenaren van de congregatie van de geloofsleer dat het geloof niet in de eerste plaats innerlijk wordt ervaren, maar van buitenaf wordt verkondigd en dan gehoord en aangenomen.
Voor hen is geloof instemming met objectieve feiten, niet de persoonlijke ontmoeting met een God die weliswaar wel strookt met de kerkelijke leerstukken, maar er tegelijk ook altijd bovenuit stijgt. En er in zekere zin dus aan ontsnapt.
Eigenlijk willen ze het liefst dat je je niet meer verwondert en niet meer nieuwsgierig bent. En je studenten een boekje uit hun hoofd laat leren waarin alles staat wat ze moeten weten. In genummerde stellingen.
Je schouders Daarover ophalen gaat niet, want - geloof het of niet - er zitten elke dag verklikkers in je collegezaal. Sympathisanten van een geheimzinnig genootschap, een soort extreem conservatieve geheime dienst. Je weet niet wie het zijn, maar je weet wel heel zeker dát ze er zijn.
Is het die zwijgzame norse jongen die altijd op de derde rij links zit? Misschien, maar voor hetzelfde geld is het je lievelingsstudent, die enthousiaste vent die altijd van die goeie vragen stelt en van wie je je zou kunnen voorstellen dat hij nog eens je opvolger zal worden.
Dit alles klinkt als een paranoïde waan van een overwerkte academicus die te lang onder een berg boeken begraven heeft gelegen. Maar voor allerlei professoren en theologische schrijvers was het lange tijd bittere werkelijkheid. Tussen 1893 en 1914 veranderde de katholieke theologie steeds meer van een levende discipline in een starre angstcultuur, en bleef daarna tot ongeveer 1958 een vijver vol stilstaand water die steeds harder begon te stinken, ook buiten de intellectuele wereld. Het kerkelijke leven veranderde hoe langer hoe meer van een levende religie in een met ijzeren vuist gehandhaafde ideologie, opgesloten in genummerde definities.
Zo’n situatie lijkt een beetje op een ballon waarin de druk steeds hoger oploopt. Als er niet af en toe iets van die spanning wordt uitgelaten ontploft op een gegeven moment de hele boel. En dat is precies wat er uiteindelijk ook gebeurde toen in de jaren zestig het Tweede Vaticaanse Concilie werd gehouden. Dat was een enorme vergadering van alle bisschoppen ter wereld, die speciaal werd georganiseerd om van deze verkramping af te komen. En dat werd nog best met voorzichtigheid aangepakt. Als je de documenten van dat concilie leest krijg je niet de indruk dat dat nou zo’n schokkende, revolutionaire bijeenkomst was.
Maar in de praktijk was het in de situatie van dat moment - onder onverdraaglijke spanning - zoiets als de naald waarmee je in een strak opgepompte ballon prikt. De hele Kerk explodeerde met een enorme knal. In tien jaar tijd veranderde ze onherkenbaar.
Een heel aantal dingen daaraan was echt heel fijn. Die professor waarover ik het net had: die mocht in het vervolg gewoon zeggen wat hij wérkelijk dacht. Hetzelfde gold voor zijn collega’s op andere vakgebieden. De gewone katholieken werden ineens veel minder met verkrampte regeltjes gebombardeerd over elk detail van hun leven. Ze mochten gewoon weer alles lezen waar ze zin in hadden en hardop moeilijke vragen stellen aan hun pastoor. En die was dan weer blij dat hij zich niet meer hoefde te bemoeien met de hoogstpersoonlijke privédingen van de mensen.
Maar de Kerk zelf begon vanaf dat moment te kwijnen. Het was natuurlijk prima dat haar loodzware overheersende dwang was weggevallen. Maar de dingen waar ze voor bedoeld was en waarvoor ze ook echt nódig was kreeg ze ook niet meer gedaan. Die werden onbeschikbaar.
Alles wat heilig en geheimzinnig en beschouwend was werd de Kerk uitgegooid en vervangen door sociale actie en een soort protestantse kerkdiensten of soms zelfs een soort popconcerten. ‘Beatmissen,’ werden die genoemd. Dat liep niet zo goed af, want voor die dingen was de Kerk niet gemaakt en ze was er dus ook gewoon niet zo goed in. Politieke activisten waren beter in sociaal actievoeren dan de Kerk. Protestanten waren beter in protestantse kerkdiensten houden dan de Kerk. En popmuzikanten waren zéker beter in popconcerten houden dan de Kerk.
De Kerk was wél goed in heilige plaatsen in stand houden, die een beetje naast de dagelijkse werkelijkheid lagen. Waar het heel makkelijk was om het Absolute aan te raken. Ze was ook heel goed om heilige tijden te creëren, momenten die een beetje naast de normale kalender lagen, en waarop het ineens helemaal niet moeilijk meer was om God te ontmoeten. Ze was er ook heel goed in om een luisterend oor te bieden en de dingen van elke dag in het perspectief van de eeuwigheid te zetten. De zorgen en verlangens van mensen te zien, maar ook te relativeren, en zo lucht te brengen als het benauwd werd.
Alleen hadden de mensen van de Kerk, de priesters en religieuzen, dáár nou net geen zin meer in. Ze haalden er hun neus voor op. Ze traden uit of wilden een soort therapeuten worden of politieke sprekers.
En al die heilige dingen bleken nu al die tijd ook heel teer en breekbaar te zijn geweest. Ze verdampten razendsnel, en lieten de gebouwen waarin ze waren gekoesterd leeg achter. Een soort neogotische cocons waaruit de vlinder was weggevlogen.
In wat de Kerk allemaal wél deed waren minder en minder mensen geïnteresseerd. Er bleek een nieuw soort religie te zijn ontstaan, die niet meer door te geven was aan de volgende generatie. Die vooral bestond uit tégen al het oude katholieke te zijn. En zoiets werkte nou eenmaal alleen voor mensen die ook echt onder het oude katholieke hadden geleden. Hun kinderen hadden er geen boodschap aan, en hun kleinkinderen al helemaal niet.
Maar met hun áchterachterkleinkinderen is iets heel geks aan de hand. Een klein deel daarvan komt terug naar de Kerk, maar verlángt juist naar dat oude, verdwenen katholicisme. Allereerst naar het mysterie en de geborgenheid van de Kerk. Maar ook naar duidelijkheid en overzichtelijkheid. Rust binnen heldere grenzen. En die zou de Kerk ook zeker op een gezonde manier kunnen bieden.
Maar het zou jammer zijn als we ook weer in dezelfde ijzeren verkramping zouden belanden die zestig jaar geleden nou juist een van de belangrijkste oorzaken was van het ontstaan van die allesverwoestende revolutie.










