Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk.
Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong.
‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’
Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa.
Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn.
Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles.
Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben.
Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit.
Weg met die shit! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie.
En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties.
Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden.
Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg.
Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed.
Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn.
Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders.
Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato.
Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen.
Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken.
Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, neuken, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles.
Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving.
Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia.
Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer.
Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf.
De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil.
Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God.
Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren.
De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was een navelstaarder op kerosine. Maar wel een verdienstelijke.
Door al zijn gepieker en zijn naar binnen gekoekeloer viel hem op een gegeven moment op dat de menselijke ziel inderdaad geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, zoals het boek Genesis zegt, aan het begin van de Bijbel. En wel niet alleen naar zijn éénheid, maar ook naar zijn Drievuldigheid.
Dan denk je natuurlijk: daar bedoelt hij natuurlijk die wagenmenner van Plato mee, met zijn twee paarden. Maar Augustinus telde de paarden, de lagere vermogens van de ziel, helemaal niet mee. Hij ontwaarde in het hogere vermogen van het intellect - de wagenmenner van de ziel - ook weer drie krachten. Het geheugen, dat lijkt op God de Vader. Het verstand, dat lijkt op God de Zoon. En de wil, die lijkt op God de heilige Geest.
Nou is het zo dat God voortdurend zijn eigen Drievuldigheid voortbrengt. Vanuit het ene wezen zelf - dat is de Vader - komt de Zoon voort. Beiden houden zoveel van elkaar dat hun liefde ook zelf weer een goddelijke Persoon wordt: de Heilige Geest. Die vouwt God dan weer samen in zijn eenheid.
Net zo komt uit de grond van de mens zijn verstand voort, en uit beide dan weer zijn wil.
En die doet in de mens wat de Heilige Geest in God doet: hij verenigt, brengt harmonie. Wie een sterke wil heeft is niet wispelturig. Die is betrouwbaar en consequent. Je weet wat je aan zo iemand hebt. Die is geen slaaf van zijn emoties en laat zich niet van de wijs brengen door gepieker. Als die wil ook nog eens van harte goed wil zijn wil is hij niks anders dan de liefde zelf. De liefde die van harte wil dat de ander leeft en gedijt en die zich met die ander wil verenigen.
Volgens Augustinus is het die goede wil, de liefde van de mens, die de sleutel is tot het goed beleven van je emoties. Hij was enorm belezen en kende het werk van de stoïcijnen, die de emoties grotendeels wilden uitschakelen, heel goed. Geen begeerte meer, geen blijdschap, geen vrees of verdriet. Maar hij was het niet met ze eens.
Christus zelf had immers ook gehuild, bij het graf van zijn vriend Lazarus. En was Hij niet doodsbang geworden in de nacht voor zijn kruisiging, toen Hij bad in de hof van Gethsémané? En was Hij niet razend toen Hij de geldwisselaars de tempel uitsloeg
Als volkomen emotieloosheid het doel zou zijn geweest zou dus ook de menswording van Jezus Christus een mislukking zijn geweest. En zo kan het natuurlijk niet zijn. Wie al zijn emoties in zichzelf dood maakt lijkt niet meer op Christus. Is geen mens meer te noemen.
‘Pondus meum amor meus’ schrijft Augustinus ergens in zijn Belijdenissen. Mijn gewicht is mijn liefde. Daarmee bedoelt hij niet dat hij dol was op taartjes eten, maar dat de liefde van de mens een soort zwaartekracht is. Het leven van de mens beweegt zich in de richting van wat hij liefheeft. In feite zegt Augustinus met andere woorden wat Jezus zelf ook al had gezegd in het Evangelie: ‘Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’
En die liefde is wel meer dan emotie of gevoel alleen, maar is ook geen puur rationele kracht. Het is heel de richting van je wezen. Stenen vallen naar beneden, vuur schiet omhoog en jouw ziel reikt naar waar haar liefde haar drijft.
Een goed mens worden heeft daarom voor Augustinus niks te maken met het afknijpen van je emoties, maar van het verenigen, ordenen en richten ervan. De juiste dingen en mensen beminnen in de juiste mate. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen genieten en gebruiken, frui en uti. Sommige dingen zijn er om te genieten, ze te beminnen omwille van zichzelf. Andere zijn maar hulpmiddelen. Die worden niet genoten, maar gebruikt. Dat lijkt allemaal logisch, maar is in de praktijk heel verraderlijk. Hoe vaak raken wij niet hartstochtelijk verliefd op bijkomstige of zelfs schadelijke dingen?
Dient de sportschool jou, of dien jij de sportschool? En hoe zit dat met sociale media? En je vriendschappen, zijn die evenwichtig? En heb je lief of ben je verliefd? Twee heel verschillende dingen die je snel met elkaar kunt verwarren.
Wat Augustinus vraagt is dan ook wel echt moeilijker dan het doden van je emoties. Het vergt veel meer geduld, en soms ook gewoon levenservaring en rijping. Maar het zal je op de langere termijn wel een gelukkiger mens maken, en dat andere zeker niet.
En dan hebben we nog de heilige Thomas, de favoriete filosoof van alle puberjongetjes in de Kerk. Nog lekkerder duidelijk is het niet te krijgen. De grootste autist op de heiligenkalender: alles wordt geordend tot je er groen van uitslaat.
En dat geldt natuurlijk ook voor de emoties, de passiones animae, zoals Thomas ze noemt. Hij wijdt er een enorm blok van de Summa Theologiæ aan, tientallen kwesties en honderden bladzijden. Dat geeft al wel aan dat hij er geen voorstander van is om ze maar simpelweg te onderdrukken.
Hij onderscheidt elf van die passiones, in twee families aan de hand van de begeerte en de drift, zoals je al kon zien aankomen. Bij de begeerte horen liefde en haat, verlangen en afkeer, vreugde en verdriet. Bij de drift, het strijdbare deel van de ziel, deelt hij alles in wat moeilijk is en weerstand biedt. Wat met doorzettingsvermogen te maken heeft, of juist het ontbreken daarvan: hoop en wanhoop, angst en moed en uiteindelijk de woede. Dat is de enige emotie die geen tegenhanger heeft, volgens hem.
In principe zijn de emoties voor Thomas neutraal. Ze zijn goed nog slecht. Ze zijn alleen geordend of ongeordend, en krijgen daardoor hun morele lading. Of ze goed of slecht uitpakken, dus. Ze zijn, op zichzelf, dus ook geen zonde.
Als je boos bent hoef je dat op zichzelf nog niet te gaan biechten. Maar je moet je wel afvragen of datgene waarover je boos bent dat eigenlijk wel verdient. En de maat ervan is ook een dingetje. Als ik in mijn auto op een smal Groninger weggetje zit achter een opa en oma die twintig rijden kan ik het niet helpen dat er een ergernisje in mij opkomt. Maar als ik dan vervolgens ga bumperkleven, toeteren en ze levensgevaarlijk ga inhalen ben ik natuurlijk niet christelijk bezig. Laat staan als ik ze klem rij en ze alletwee overhoop sla.
Om het verschil aan te geven neemt Thomas een beeld over van zijn favoriete filosoof, Aristoteles. Het verstand regeert niet over de emoties als een dictator, een despoot, maar als een wijze heerser over vrije burgers. Er is eerder kalmte en relativeringsvermogen mee gemoeid dan op je tanden bijten tot je wangkauwspier begint te scheuren.
Als we van Sint Thomas naar de grootste theoloog aller tijden gaan, Jan van Ruusbroec, zien we die een passage uit het Lucasevangelie aanhalen: “Hi hadde compassie ende mede-liden met der weduwen ende met den volke buten der poerten van der stat, daer hi den ionghelinc verwecte van der doot.”
Dat verhaal zegt alles over hoe juist je emoties je mens maken.
Jezus komt in het stadje Nain en loopt tegen een begrafenisstoet op. Het gaat om een jonge jongen, ook nog eens het enigst kind van een vrouw die ook al haar man kwijt is en moederziel alleen achterblijft. Lucas schrijft dan: ‘De Heer zag haar, en werd innerlijk met ontferming over haar bewogen.’
Hij laat zich bewegen door de emotie die Hem overvalt, en die maakt dat Hij zich over haar wil ontfermen. Het werkwoord dat Lucas daarvoor gebruikt, esplanchnistè, komt van het woord voor ingewanden. Het grijpt Hem in de buik, het pakt Hem bij zijn ingewanden.
Het woord wordt in het Nieuwe Testament alleen voor Jezus’ eigen emoties gebruikt, en verder alleen nog in drie verhalen die Jezus vertelt om moeilijke dingen uit te leggen. Hij gebruikt het voor wat de barmhartige Samaritaan voelt die een gewonde man van de weg haalt. Voor een koning die iemand zijn schulden kwijtscheldt en voor een vader die zijn weggelopen zoon van verre ziet terugkomen. Laten dat zou alle drie beelden zijn voor God zelf.
Precies dat soort compassie, zegt Ruusbroec, is dus wat de mens op God laat lijken. En de mens dus meer mens maakt. In de Gheestelike Brulocht schrijft hij: “Want compassie es eene quetsure der herten die minne maect ghemeyne tot allen mensen, ende niet ghenesen en mach also langhe alse enighe doghet in den mensce levet.”
Mededogen is dus volgens Ruusbroec een wond van het hart. Een wond die je niet mag laten genezen zolang er in enig mens nog lijden leeft. Het absolute tegendeel van onverschilligheid.
De moderne internetstoïcijnen zeggen dat de empathie in jezelf moet doden, je hart moet verharden, je willens en wetens moet afstompen. Ruusbroec zegt precies het omgekeerde. Hij zegt dat je geen spoortje menselijkheid in je hebt als je hart niet is gewond door het lijden van je medemensen.
Over wonden gesproken: Antonio Damasio, een neuroloog, deed eind vorige eeuw onderzoek naar mensen met een bepaalde beschadiging aan hun voorhersenen. Hun intelligentie was onveranderd. Er was ook niks aan de hand met hun geheugen, hun logica en hun taalvermogen. Alleen de emotionele kleuring van hun voorstellingen was weg. En daarmee, merkwaardig genoeg, ook hun vermogen om wat dan ook maar te kunnen kiezen. Ze bleven maar piekeren over de meest onnozele beslissingen. Op welke dag een afspraak te maken, bijvoorbeeld. Maandag of dinsdag. Pindakaas of Jam. Het was allemaal onmogelijk geworden.
Het verstand alleen, zonder gevoel, is dus volkomen hulpeloos. Dat is niet alleen heel vroom, maar ook klinisch bewezen, zo blijkt. Wie het stoïcisme verkeerd begrijpt en het misbruikt om zijn gevoelens af te knijpen wordt daar uiteindelijk niet alleen ongelukkig van, maar ook gewoon blind. Ontdaan van zijn meest fundamentele oriënteringsvermogen.
Want is er, zonder het kompas van de emoties, überhaupt wel een verschil tussen goed en kwaad, licht en donker, hemel en hel?
Het verschil tussen geluk en ongeluk, genieten en lijden, beminnen en haten is geen rationele zaak. Voor wiskunde en formele logica maakt het niet uit of je pijn hebt of juist in extase bent.
Als Ruusbroec het heeft over de hoogste vervulling van de mens gebruikt hij daar termen voor die de meeste mensen niet zien aankomen. Hij heeft het dan de hele tijd over ‘ghebruken.’ De goddelijke Personen van de Drievuldigheid ‘ghebruken’ elkaar en de mens en God ‘ghebruken elkaar.’ Dat klinkt krankzinnig. Het zet je op precies het verkeerde been, want ‘ghebruken’ betekent in het Middelnederlands geen ‘gebruiken’ maar ‘genieten.’ ‘Ten volle krijgen,’ je ‘helemaal overgeven,’ ‘helemaal opgaan’ in iets of iemand.
Het is de vertaling van het Latijnse frui, dat we bij Augustinus al tegenkwamen. Het tegendeel ervan was uti, dat wél ‘gebruiken’ betekent.
Ruusbroec zegt: ‘Men sal alle creatueren orboren, ende Gods ghebruyken.’ Het geschapene is er om te gebruiken. God is er om genoten te worden. Dus te beminnen. En in het verlengde daarvan geldt dat ook voor je medemensen.
‘Bemin God met hart en ziel en verstand en al je krachten,’ zegt Jezus, ‘en je naaste als jezelf.’
Geen wonder dat Ruusbroec, als hij het over het einde der tijden heeft, hoopt dat wij allemaal eens Jezus tegemoet zullen gaan en ‘hem ontmoeten in die sale der glorien ende sijns ghebruken zonder inde inder eewicheyt.’
En daar is geen woord stoïcijns bij.










