Pater Hugo
Geruis Uit De Kluis
Blauwdrukken van de Werkelijkheid I
Voorbeeld
0:00
-12:59

Blauwdrukken van de Werkelijkheid I

Van Plotinus tot Pseudo-Dionysius

Of je nu Ruusbroec of Eckhart leest, Theresia of Sint Jan van het Kruis, telkens weer schemert er door en onder de woorden een stelsel van lijnen en punten. Noem het maar rustig een verwachtingspatroon, zoals je ook hebt als je naar klassieke muziek luistert. Het is niet expliciet, het ligt er niet bovenop, maar toch weet je vaak al snel hoe de volgende maat gaat verlopen en langs welke bocht de cadenzen naar hun verzadiging zullen stromen.

Wie zich met mystieke teksten bezighoudt - en vooral als dat heel erg de breedte ingaat - herkent al snel een merkwaardige contour die op de achtergrond bijna altijd aanwezig is.

Nog even kort voor wie hier nog niet zo lang meeleest en -luistert: met mystiek bedoelen we geen vage materie maar de concrete religieuze ervaringen van concrete mensen. Ooggetuigen van ontmoetingen met God. En wij verdiepen ons daar niet in omdat we gedreven worden door ongezonde nieuwsgierigheid naar de intimiteit van andere mensen. Wij proberen alleen een beter begrip te krijgen van ons eigen verlangen naar de vereniging met diezelfde God. Want die leeft per definitie in het innerlijk van elke mens.

En die God is in vrijwel alle grote tradities niet zomaar een ‘god’ die deel uitmaakt van een grotere werkelijkheid die hem zou kunnen bevatten. Hij is in tegendeel de Absolute, de eerste Oorzaak en het Doel van alles wat bestaat.

Een verhaal over een ontmoeting met die God wordt dan ook doorgaans al snel een verhaal over de meest uiteindelijke aard van alles. En zelfs als dat niet expliciet gebeurt, zit het besef van hoe alles met alles verbonden is en uiteindelijk in God samenkomt vaak alsnog vlak onder de oppervlakte van het verhaal verborgen. En logischerwijs dus ook dat alles op de één of andere manier de beeltenis van die God draagt, zijn handschrift, zijn karakter.

Voor niks in heel de wereld geldt dat zo doordringend als voor de mens. Om het deftig te zeggen: nogal wat mystiek leert ons dat we in een fractale wereld leven waarvan God het eerste beginsel is.

Logisch dat nogal wat mystici naar klassieke filosofische stelsels grijpen om hun godsontmoetingen te duiden. Daarbij maakt het nauwelijks uit of je met een christelijke, joodse of islamitische mysticus te maken hebt. Ze putten immers allemaal meer of minder rechtstreeks uit de filosofische erfenis van de oudheid.

De filosofische stelsels die ze daarvoor uitkozen zijn doorgaans neoplatoons. Ze gaan dus terug op Plato, maar niet rechtstreeks. Ze ademen helemaal de geest van de laat-klassieke filosofen Porphyrius, Plotinus en Proclus. Die waren wel geïnspireerd door Plato, maar verwerkten diens stof op een heel eigen manier. Ze leefden zo rond de vierde en de vijfde eeuw na Christus.

Ze brachten nogal graag de schematische ondergrond van de werkelijkheid in kaart met lijntjes en bolletjes, ik zei het al. Ze ontwaarden in de kosmos een soort energetische structuur. Al hun schetsen vertonen een patroon van het Absolute dat zich laat uitstromen in zich steeds verder uitsplitsende elementen. Ze beginnen dus op één ondeelbaar punt, dat als oorsprong van alles wordt gezien.

Dat oorspronkelijke volmaakte Ene begint steevast over te stromen of van gedaante te veranderen. Zo ontstaan daaruit veelheden van werkelijkheden die dan uiteindelijk onze dagelijkse realiteit vormen, met al haar in stof uitgedrukte vormen, geuren en kleuren. De werkelijkheid van de geschapen, materiële wereld. En die is fractaal, zei ik al: De onderdelen van de realiteit vertonen in zich bij nadere beschouwing steeds weer hetzelfde tekeningetje van lijntjes en bolletjes. Alles is opgebouwd uit evenbeelden van het oerpatroon. Zoals onze ziel, bijvoorbeeld. Het kleine herhaalt steeds de structuur van het grote.

Simpel samengevat komt het neoplatoonse beeld van de kosmos erop neer dat er in het begin een één en ondeelbaar Ene is. Het is niet persoonlijk en het heeft geen eigenschappen. Dat volgt uit het feit dat het één is. Om persoonlijk te zijn moet je je immers bewust zijn van jezelf. Jij die je van jezelf bewust bent zijn jij en jezelf, dus twee, niet één. En als je ook nog eens eigenschappen hebt ben jij er niet alleen met jezelf, maar ook nog met je eigenschappen. Je snapt de manier van denken, neem ik aan.

Tegelijk kan dat Ene bij die neoplatonici niet anders dan overstromen en andere dingen voortbrengen uit zichzelf. ‘Emaneren,’ noemen ze dat. Het is geen scheppen uit vrije wil, het Ene is zich er niet eens van bewust, want het Ene heeft geen bewustzijn, zei ik al. Het wordt ook niet anders van al dat geëmaneer, trouwens. Het vermindert er niet door, wat er ook allemaal uitstroomt. Het is immers niks anders dan één. Dit hele proces werd vaak vergeleken met de zon, die hetzelfde blijft maar wel stralen uitzendt. Die vergelijking gaat trouwens mank, maar je snapt waarschijnlijk wel wat ze bedoelen.

Bij Plotinus, de grondlegger van de stroming, brengt het Ene allereerst een intellectueel principe voort. Dat bevat de ideeën, de ideale blauwdrukken voor al het andere dat ooit zou kunnen bestaan. Wie het werk van Plato heeft gelezen, herkent er onmiddellijk de ideeënwereld in. Daaruit emaneert dan weer de ziel van de wereld, die heel het universum bezielt en bestiert. Ook de menselijke zielen emaneren daaruit. Die kijken naar boven, naar het intellect en naar de ideeën daarin en halen daar orde en inspiratie uit. Daarmee geven ze vorm aan de lagere materie beneden. Want hoe verder alles weg emaneert van het Ene, hoe materiëler het wordt. Uiteindelijk, zo ver verwijderd van het ene dat er niks meer te emaneren valt, is er alleen nog de vormeloze stof. Voor Plotinus is dat in feite het pure kwaad. Niet omdat het uit zichzelf slecht is, maar omdat het verstoken is van de invloed, de orde, vorm en sprankeling van het Ene. Niet voor niets noemde Augustinus, die sterk door het neoplatonisme beïnvloed was, het kwaad de ‘privatio boni,’ het ontbreken van het goede.

Van daaruit kan het natuurlijk alleen nog maar beter worden: alleen nog terug omhoog, terug naar het Ene. En dat gebeurt dan ook. Er is niet alleen een uitvloeien van alles maar ook een terugbuigen naar het Ene. Proodos en epistrophe noemden de neoplatonisten dat, voortgang en terugkeer.

Dit alles moet je niet zien als een opeenvolging van stappen in de tijd, trouwens. Het gebeurt allemaal tegelijkertijd en dus ook voortdurend. Een beetje te vergelijken met een netwerk waar stroom op staat.

Het is niet moeilijk te begrijpen dat een dergelijke filosofie veel herkenningspunten bood aan mensen die hun geestelijke ervaringen probeerden te duiden. Die heimwee hadden naar een thuis waar ze nog nooit geweest waren. Die op de kop waren gezet door ontmoetingen met Iemand die ze nabijer was dan ze zichzelf waren, maar die tegelijk volkomen ongrijpbaar bleef.

Ik schrijf ‘Iemand,’ geen ‘Iets,’ want ons beeld van God is in het Westen meestal uitgesproken persoonlijk. Niet alleen in het christendom, maar ook in de islam en het jodendom. Dat geeft ook al gelijk wel aan dat de filosofie van Plotinus moest worden aangepast om ingezet te kunnen worden als vertaalsleutel voor mystieke ervaringen van christenen, moslims en joden.

Het onpersoonlijke en onverschillige Ene van Plotinus werd de persoonlijke God. Het willoze, onbewuste emaneren werd het bewust en actief scheppen. De eerste emanatie, het intellectuele principe werd de Logos, de Zoon van God. Dat waren nog best stevige ingrepen, die Plotinus en Proclus zeker niet zouden hebben geaccepteerd. Maar het resultaat was wel een raamwerk dat zo sterk was dat het bijna universeel werd.

Op de achtergrond, dat wel, in ieder geval in het christelijke westen. Daar bereikten de neoplatoonse ideeën de mensen vrijwel alleen via de kerkvaders zoals Augustinus en Dionysius de Areopagiet. Zo waren Plotinus en Proclus op den duur stiekem overal, ook al hadden de meeste mensen nog nooit van ze gehoord.

Iets vergelijkbaars gold voor de islamitische en joodse contexten, maar op een iets andere manier. Daar bleef wel degelijk werk van de oude filosofen zelf in omloop, maar onder een valse vlag, als de zogenaamde ‘Theologie van Aristoteles.’ De toeschrijving was absurd, maar de invloed was er niet minder om.

Hoe dan ook geef ik hier even een schemaatje dat - vereenvoudigd - het beeld van de werkelijkheid in een paar mystieke subculturen in beeld brengt. Op één na zijn ze allemaal neoplatoons beïnvloed. De laatste niet, en veel van mijn collega’s zouden zeggen dat die hier ook helemaal niet thuishoort. Aan het einde van mijn verhaal, in de laatste aflevering van deze reeks, zal ik uitleggen waarom ik het toch even noem. (Als je op het schema klikt zou het groter moeten worden).

Vandaag behandel ik dit schema tot en met Pseudo-Dionysius. De rest komt ergens in de komende weken aan bod.

Enfin, zack-zack, allez-hop, aan het werk.

Deze post is voor betalende abonnees