Een kerk zonder priester is als een café zonder bier
De vorige paus trok soms plotseling een gezicht alsof iemand hem een schoteltje verse diarree onder zijn neus hield. Dat betekende dan meestal dat er een preek tegen het zogenaamde klerikalisme op komst was. Dus tegen de arrogantie van katholieke geestelijken. Dan foeterde en ketterde hij eindeloos over carrièrejagende priesters en seminaristen in togen en superplies met kant eraan. Oma’s haakwerk noemde hij dat. Meestal plakte hij er ook gelijk een psychiatrische diagnose op. Voor het gemak. Regelmatig vielen er woorden als neurotisch, griezelig, star, rigide. En bijna iedereen vond dat wel mooi als hij dat deed. Want priesters zijn toch ook tegelijk elitair en een beetje stoffig. Waar zijn die celibataire in de knop verdroogde wereldvreemde zuurpruimen trouwens überhaupt voor nodig?
En waarom zouden uitgerekend zij namens God kunnen spreken? Zelf hebben ze nooit echt geleefd. Maar toch menen ze wel altijd te weten hoe anderen zouden moeten leven. En dan nog erger. Die kandidaatpriestertjes, die seminaristen. Die jongetjes in die soepjurken. Dat moeten toch wel haast psychotische windbuilen zijn Of niet dan? Wat verbeelden die zich eigenlijk wel? We kunnen toch ook gewoon zelf bidden trouwens? Weg met al die imbecielen in die carnavalskostuums.
Goed, dat lucht weer lekker op. Maar laten we voordat we nou weer te snel conclusies trekken eerst maar eens kijken of dat allemaal zo wel klopt. Want als dit alles ordinaire oplichterij is dan zijn al onze voorouders daar duizenden jaren lang in gestonken. En dat zou toch wel een beetje raar zijn. Of niet dan? Klerikalisme kunnen we missen als kiespijn. Maar er is ook nog zoiets als gezond sacerdotalisme. Dat zal ik misschien even uit moeten leggen. Protestanten vinden dat een vies woord maar bij ons is het gewoon een normaal onderdeel van de godsdienst. Men moet de priester zijn rol en zijn vruchtbaarheid gunnen. Priesters geven handen en voeten aan Christus, bemiddelen tussen God en mens. Ze stellen zijn zelfgevende liefde, zijn sterven, zijn leven, zijn lichaam en zijn bloed tegenwoordig in een wereld die daar dorst naar heeft.
Niet omdat ze zich wat aanmatigen maar omdat ze ervoor geleerd hebben en ervoor gewijd zijn. Soms handelen ze namens de gelovige gemeenschap en dan weer namens God. Het ene moment bidden ze Christus om zijn ontferming en het volgende moment zeggen ze in zijn persoon dan weer dit is mijn lichaam. Allemaal heel wonderlijk. Maar ook doodnormaal. Het fundament onder normaal zelfs. Het normale is er afhankelijk van. Volgens mij wordt dat op dit moment ook voldoende geïllustreerd. Dat als je dit element weghaalt de maatschappij in elkaar flikkert. Maar goed, daar zal ik wel commentaar op krijgen maar dat meen ik toch gewoon te zien. Hoe dan ook, daarbij manifesteren die priesters zich als het goed is niet als zichzelf, behalve tijdens de preek.
Daarom werd die vroeger ook maar nauwelijks tot de werkelijke eredienst gerekend. De priester legde niet voor niks dan ook zijn manipel af. Hoe dan ook, in een normale gezonde situatie respecteren de gelovigen de priester in zijn rol. Zonder hem als privépersoon op een voetstuk te hijsen. Ze kijken hem niet voortdurend naar de ogen. Maar ze proberen ook niet om zich zijn taken toe te eigenen. Bij de slager eisen ze ook niet om hun eigen speklappen van het varken te mogen snijden of bij de tandarts om hun eigen kiezen te mogen trekken. Ze worden ook niet jaloers op de priester omdat het helder is dat alle glitters en ceremonies niet ter ere van hem als privépersoon zijn. Helemaal niet ter ere van hem zelfs.
Hij is niet eens de meester van de liturgie. Hij is de dienaar daarvan. Eigenlijk is hij zelfs maar een hulpstuk als ik het even heel streng formuleer. Het teken daarvan bij uitstek is de onpersoonlijke formaliteit van die liturgie. Die is er niet voor niks. Intimiteit op de cultusplaats is per definitie ongewenste intimiteit. De taal die gesproken wordt is geen spreektaal. De frasen zijn archaïsch of het gaat zelfs om een sacrale taal die buiten de eredienst is uitgestorven. Ook zijn er voortdurend plechtige herhalingen. Dat zijn geen aanslibsels, die zijn noodzakelijk. Vrijwel alle godsdiensten ouder dan de protestantse reformatie zitten zo in elkaar. En dat is prima. Want het werkt. Het wordt pas problematisch als de priester onwillekeurig naar zichzelf begint te verwijzen in plaats van naar God.
En dan krijgen we inderdaad klerikalisme in plaats van sacerdotalisme. Nou wil de ironie dat we daar sinds de vernieuwing van de liturgie waar paus Franciscus zo’n voorvechter van was veel meer last van hebben gekregen dan vroeger. Meer last. Vroeger. Ineens staat pastor Pietje tegenover de gelovigen. Die kunnen zijn gezicht zien. De hele tijd. Ook tijdens het bidden. Nou is pastor Pietje niet als acteur opgeleid. Dus ook niet om op een natuurlijke manier intieme handelingen zoals bidden te kunnen volbrengen terwijl een hele gemeente hem in zijn gezicht staat te gapen. Dus begint hij zijn plotseling toch wel erg blote ziel te bedekken. Met een zalvende toon die per definitie licht bespottelijk overkomt.
Zeker in combinatie met de altijd net verouderde volkstaal die tegenwoordig gebruikt wordt. Hij wordt zich daar steeds pijnlijker van bewust en begint dus improviserend aan die teksten te prutsen. Dat maakt het in werkelijkheid nog erger maar wordt toch een gewoonte. Zodanig zelfs dat hij drie keer per mis begint te preken en het gevoel krijgt dat hij de hele tijd onderhoudend moet zijn. Hij is als persoon ineens veel belangrijker dan die ooit had moeten zijn en ook dan die ooit had willen zijn. Hij krijgt ook nog eens fans en haters. Alles draait om hem. Bidden wij voor Pastor Pietje. En bidden we ook voor zijn opvolgers. De kleine Gen Z-seminaristjes. Die naar Rome gaan om togen te passen en sjerpen van zwarte moirézijde en superplies met oma’s haakwerk eraan.
Die voorlopig nog even meer met liturgie en theologie bezig zijn dan met gemeenschap en diaconie. Want dat is normaal. Het ene ontwikkelt zich nou eenmaal uit het andere. Niemand wordt trouwens ook in één klap volwassen. Bidden wij dat hen een beter lot beschoren mag zijn dan dat van hun door de wol geverfde voorgangers. Dat die jongens gekoesterd en bemind mogen worden. Dat het offer van hun roeping, hun celibaat het offer van hun vrijheid dankbaar aanvaard mag worden. We kunnen daar alvast aan werken door ze nu al als opgroeiende zwartrokjes met alles wat daarbij hoort dankbaar te aanvaarden. Ze ruimhartig de dwaasheid van hun jeugd te gunnen. Die hebben wij toch ook gehad. En ook weerwoord te bieden aan de azijnpissers die die jongens nu alweer hun vrijmoedigheid en hun onbevangenheid proberen af te pakken.
Want als er iets misselijk en klerikaal is dan is het dat wel. Mensen die als levensvervulling hebben het heilige te vertegenwoordigen zijn zo’n oud verschijnsel dat we geen idee meer hebben wanneer het ooit is ontstaan. Persoonlijk geloof ik dat het niet eens een puur cultureel verschijnsel is maar zelfs een biologisch fenomeen. In elke willekeurige groep mensen zullen als vanzelf personen geboren worden die niet anders kunnen. Die van nature zijn gegrepen door een magnetische verwondering die hun aandacht maar steeds weer naar het absolute trekt. Naar dat wat de wereld draagt. Die de tijd uit zich geboren doet worden, de natuurwetten geeft orde in het zijn aanbrengt zodat dingen naar beneden vallen en niet naar boven.
Dat wat uiteindelijk het zijn zelf veroorzaakt. Je kan het je nu nauwelijks meer voorstellen maar deze personen werden vanaf de vroege prehistorie tot voor een jaar of zestig niet voor gek of ziek versleten maar juist als heel waardevolle leden van de gemeenschap beschouwd. Hun fascinatie voor het mysterie dat schuilgaat onder het leven bleef dan ook zelden of nooit een privézaak. Het werd een van de levensbronnen van de gemeenschap. Zo wezenlijk als water, voedsel warmte en veiligheid. Hoe ver reikt de religieuze component eigenlijk terug in ons menselijke doen en laten? Hoe oud is bijvoorbeeld eigenlijk überhaupt het besef van het heilige? Dat zijn de relevante vragen als we willen weten of religie werkelijk fundamenteel is voor ons mens-zijn.
Of dat het misschien maar een toevallig en tijdelijk bijverschijnsel is. De oudste serieuze kandidaat voor een heilige archeologische vondst is een stel steencirkels. Die zijn gevonden in een grot in Bruniquel in Frankrijk. En die cirkels zijn maar liefst zo’n 176.000 jaar oud. En dat betekent dat ze niet zijn gebouwd door moderne mensen. Moderne biologische mensen. Maar nog door neandertalers. Ze liggen zo diep in die grot dat je er zonder kunstlicht niks kan beginnen. En een zinnig praktisch nut lijkt ook verder onwaarschijnlijk. Dat alles bewijst nog geen religieuze functie. Maar het maakt die eigenlijk best wel waarschijnlijk. Het is in ieder geval nog behoorlijk ingewikkeld om er andere verklaringen voor te verzinnen.
Vanaf dan duiken er geleidelijk steeds meer resten op van door mensen opzettelijk geordende plekken die geen praktische toepassing hadden. Maar waarin wel flink was geïnvesteerd. Die dus met liefde en moeite zo waren gecreëerd. Dan kun je bijvoorbeeld alleen al eens denken aan graven en begrafenissen. Hier in West-Europa is vooral de zogenaamde Red Lady of Paviland beroemd geworden. Dat is een graf aan de kust van Wales in een grot van ongeveer 34.000 jaar oud. Liefdevol omringd met giften en achtergelaten in een gloed van rode oker. Heel fascinerend. Buiten Europa zijn er ondertussen plaatsen opgedoken die nog weer veel ouder zijn. Maar die wel precies hetzelfde gedrag laten zien. Soms inclusief die oker.
Onder andere in Israël Koerdistan en op Sulawesi. Goed, daar gaat het dus om gedrag dat verraadt dat de mensen toen in ieder geval al notie hadden van het heilige of het bovennatuurlijke. Maar dat op zichzelf was niet ons onderwerp van vandaag. Ons gaat het nu even specifiek om godgewijde mensen. Mensen die in het rituele en symbolische handelen van die oude samenleving een speciale rol hadden. Die daarin met andere woorden gespecialiseerd waren. Priesters en priesteressen. De ellende is natuurlijk dat die veel moeilijker wetenschappelijk vast te pinnen zijn dan rituelen. En heilige plekken op zichzelf. Je kan wel op je klompen aanvoelen dat ze er zijn geweest. Maar je klompen zijn wat anders dan bewijs.
Archeologisch komen we ze op het spoor vanaf ongeveer 28.000 jaar geleden. En dan eerst ook nog heel wankel. In een graf in Brno in Tsjechië lag een volwassen man die begraven was met een aantal vreemde voorwerpen. Versierde schijfjes en ringen. Maar ook met onderdeeltjes van een mensfiguurtje van mammoetivoor. Vooral dat figuurtje is interessant. Het was waarschijnlijk beweegbaar. Vandaar die losse delen. Sommige onderzoekers hebben voorgesteld dat het als een soort rituele pop zou kunnen zijn gebruikt. En dat de overledene dan een bijzondere functie in het religieuze leven van zijn gemeenschap vervulde. En daar komt nog bij dat de man een fysieke beperking had. Dat klinkt een beetje mal, dat dat er iets mee te maken zou kunnen hebben.
Maar vanuit etnografische vergelijkingen is wel geopperd dat zijn ziekte of zijn lichamelijke bijzonderheid juist een rol kan hebben gespeeld in zijn eventuele roeping. Zijn roeping als ritueelspecialist. Nou zou dat allemaal best kunnen maar het is wel een hoop speculatie op een hoop. Het zou net zo goed kunnen dat de man zowel lichamelijk als geestelijk gehandicapt was. Zijn hele leven kinderlijk eenvoudig bleef en daarom speelgoed kreeg van zijn stamgenoten die gewoon superlieve mensen waren. Prehistorische opgravingen zijn nogal eens speculatieve invuloefeningen. En dan is jouw gok net zo goed als die van mij. Alweer veel sterker zijn de aanwijzingen voor een priesterlijke figuur bij het graf van een vrouw in Hilazon Tachtit.
Dat ligt ergens in het noorden van Israël. Ook zij had een lichamelijke beperking. En ze werd ongeveer 12.000 jaar geleden begraven met een hele reeks bizarre grafgiften. Minstens 50 schildpadschilden. Delen van een wild zwijn. Een adelaar. Een koe en een luipaard. Twee marterschedels. En om de een of andere reden een afgehakte voet van iemand anders. De onderzoekers suggereerden dat de vrouw een priesteres was. Een bemiddelaarster tussen de menselijke en de niet-menselijke wereld. Nou denk je misschien op basis van wat eigenlijk? Maar er is wel degelijk een duidelijke overeenkomst van de elementen van dit graf met rituele voorwerpen van historisch bekende sjamanistische culturen. Waarin lichaamsdelen van verschillende dieren ook een belangrijke rol speelden.
Goed, dan wil ik ook nog even naar Star Carrr in Yorkshire. Daar is sinds 1947 een cultusplaats opgegraven die voor ons hier minstens interessant is. Daar gaat het om voorwerpen die ooit aan de andere wereld werden geofferd door ze in een meertje of een moeras te gooien. De intuïtie dat de waterspiegel een grens is tussen het hier en het heilige is duidelijk heel algemeen en heel hardnekkig geweest. Want men heeft dat op heel veel plaatsen in Europa zo gedaan en ook volgehouden tot aan de komst van het christendom. Ik heb daar op dit kanaal al eens een filmpje over gemaakt. Overal en nergens vissen we nog steeds keltische, Germaanse en ook Romeinse kostbaarheden op uit wat ooit heilig water moet zijn geweest.
Maar Star Carrr is anders. De vondsten daar komen niet uit de bronstijd of de ijzertijd. Maar uit maar liefst 9000 voor Christus. Het gaat dan ook helemaal niet om zwaarden of mantelspelden maar om maskers gemaakt van hertenschedels. Hertenschedels met geweien erop. Maskers die wellicht dat weten we weer niet 100% zeker gedragen werden door priesters of priesteressen. Bemiddelaars tussen het aardse en het numineuze. En dan tenslotte de meest duidelijke vondst de zogenaamde sjamane van Bad Dürrenberg. Dat is de werknaam voor een prehistorisch graf in Oost-Duitsland. Daarin werd in 1934 een vrouw van tussen de 30 en de 40 gevonden met een klein kindje in de armen. Ze zou moeten hebben geleefd rond 7000 voor Christus.
Dus nog eens 2000 jaar nadat die maskers in Star Carrr werden geofferd. Ze was begraven met dierentanden gewijresten, schelpen werktuigen en een hele reeks andere voorwerpen die allemaal hoorden bij wat wel bijna zeker een rituele uitrusting was. Vanaf 2019 wordt er opnieuw onderzoek gedaan naar die oorspronkelijke grafkuil. En er komen steeds meer aanwijzingen tevoorschijn dat die vrouw niet alleen een gewijde functie had maar ook nog tot eeuwen na haar dood werd vereerd. Een beetje zoals onze heiligenvereringen. In 2022 werden bij haar graf votiefgaven gevonden die maar liefst 600 jaar na haar dood daar waren achtergelaten. Merkwaardig genoeg waren dat ook weer van die hertenmaskers. 2500 jaar na Star Carrr en hemelsbreed 900 kilometer ver weg.
Dat had in 5500 voor Christus net zo goed op een andere planeet hebben kunnen liggen. Zo ver weg is dat. En toch is er duidelijk sprake van de een of andere vorm van historisch rijm, zullen we het maar even noemen. Fascinerend in ieder geval.
Hier op YouTube hou ik het strak en simpel. Maar er is zoveel meer detaillering en reliëf mogelijk voor wie er echt nieuwsgierig naar is. Dieper gravende stof natuurlijk maar ook persoonlijke aantekeningen van mezelf die alles wat minder abstract maken. Oefeningen in de vorm van luistermeditaties en perspectieven uit verschillende tradities. Daarbij ga ik niet werken als een droge schoolmeester, maar als een knutselaar. Ik hou nou eenmaal van mooi en verzorgd en creatief. Er is van alles te zien en te horen en ik vind het trouwens ook belangrijk dat er af en toe wat luchtigs gezegd of gedaan mag worden. Ik nodig je uit om met me mee te lezen te luisteren en te kijken en deze innerlijke weg verder te verkennen.
Ga naar paterhugo.nl en abonneer je op mijn brieven. Je ontvangt mijn teksten podcasts en video’s dan direct en in alle rust in je inbox. We hebben in de afgelopen minuten meer dan 20.000 jaar behandeld. Dat is wel heel schetsmatig, een beetje een Japanner met een fototoestel maar we hebben toch al een hele hoop dingen steeds maar weer terug zien komen. Die kun je samenvatten onder het motto Mensen ervaren op de een of andere manier meer dan ze kunnen zien en vastpakken. En dat meer wordt bemiddeld door mensen die daar specifiek voor zijn aangewezen. En moet ik daaraan toevoegen, die daar idealiter ook een speciaal talent voor hebben. Die, om het zo maar even te formuleren religieus virtuoos zijn.
En dan in die begaafdheid nog verder worden getraind en geslepen. Dat klerikalisme waar Franciscus zich altijd zo over opwond, is eigenlijk precies het vervalsen daarvan. Het invullen van de rol van priester op een niet authentieke manier. Want de functie van ritueelspecialist of priester bracht vroeger vrijwel altijd ook een zekere autoriteit of zelfs regelrechte macht met zich mee. En werd zo ook aantrekkelijk om andere redenen dan de zaak zelf. Voor mensen die er geen talent voor hadden. En die er dus ook uit de buurt hadden moeten blijven. Dan doel ik ondertussen natuurlijk niet meer op die prehistorische tijden waarover we tot nu toe gehad hebben. Daarvan weten we gewoon niet hoe zuiver het allemaal wel of niet verliep.
En daar komen we ook niet meer achter. De selectie van godgewijde mensen werd toen klaarblijkelijk overgelaten aan de natuur op de een of andere manier. Daar zijn toch wel aanwijzingen voor. Maar dat het zo in ieder geval niet gebleven is ja, dat is ook wel duidelijk. Vanaf ongeveer de uitvinding van de landbouw werden samenlevingen veel meer dan daarvoor geordend en gestructureerd. En daarmee ook hun godsdiensten. Er ontstonden complete tempelcomplexen met een hiërarchisch geordende structuur van priesters en priesteressen. En die konden aan de ene kant soms duidelijk een indrukwekkende spirituele diepgang opbrengen. Het wordt in ieder geval moeilijk om met droge ogen te beweren dat de verfijnde religies van Egypte en Mesopotamië en Griekenland louter knudde waren.
Tenminste niet zonder te klinken als een imbecil. Maar helemaal goed kwam het natuurlijk ook niet. Hoe verfijnder de beschaving werd, hoe meer de cultus verweven raakte met de machtsstructuren van die beschaving. Priesterlijke functies werden deftige baantjes, zoals alle andere deftige baantjes. En soms zelfs een erfelijke kwestie. Een bekend en heel bizar voorbeeld daarvan is de tempelcultus van Jeruzalem. Die was voorbehouden aan zogenaamde afstammelingen van Aäron. Dat kan nooit veel met aanleg of talent of persoonlijke fascinatie te maken hebben gehad. Je werd er simpelweg in geboren. Nog bonter werd het wanneer religieuze ambten verworden waren tot standaard stapstenen in een succesvolle loopbaan.
Waarover gevochten werd door deftige families. Precies dat zien we bijvoorbeeld gebeuren in de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Die op een gegeven moment tot een volkomen cynische nietzeggendheid was geatrofieerd. De hogepriester van die eredienst, de pontifex maximus, letterlijk de bruggenbouwer tussen hemel en aarde was verworden tot een erebaantje van de keizer. De graden daaronder waren vaak in de praktijk niet meer dan standaard tijdelijke treetjes op standaard flitsende carrières. Het vreemde verschijnsel deed zich voor dat de oude Romeinse religie wel gewoon doorfunctioneerde. Maar dan als een soort plichtmatige administratieve zaak. Om dat aan te vullen ontstond er een parallelstelsel van tempels en heiligdommen van goden die meestal van buiten waren geïmporteerd.
Mensen met serieuze religieuze behoeften liepen in het vervolg naar de Egyptische Isis of naar de lekker wilde Frygische godin Cybele of naar Mithras of zelfs naar de meest exotische van allemaal de vreemde Joodse godheid Jezus. De culten van al die figuren waren anders dan de oude Romeinse godenvereringen. Het waren zogenaamde mysterieculten. Het waren godsdiensten waarin je moest worden ingewijd tijdens riten die soms meerdere dagen duurden en waar je als een veranderd mens weer uitkwam. Nadat ze door zo’n mysteriecultus waren gegaan mysteriecultus waren gehuild waren zowel de betreffende goden als de betreffende Romeinen onherkenbaar veranderd. De Romeinse Isis leek nauwelijks nog op de Egyptische Isis en ook de Romeinse Mithras was echt niet de oorspronkelijke Perzische.
En ook hun inwijdelingen bleven niet dezelfde. Die bleven weliswaar wel Romeins maar wel Romeins met een twist. De inwijdingsceremonieën gingen steevast met zulke desoriënterende paradoxen gepaard dat je daarna nooit meer op dezelfde manier naar het leven kon kijken. En net als de Romeinse aanhangers van Mithras of Magna Mater aanvaardden ook de Romeinse christenen een exotische god uit een cultuur die ze niet echt begrepen. En die god raakte dan ook net als al die anderen al snel grondig verromeinsd. Hij had al snel weinig meer te maken met het Jodendom of met de Levant maar alles met de behoefte van de Romeinse religieuze zoekers van dat moment. Tegelijk bleef die vreemd en desoriënterend genoeg om totaal fascinerend te blijven.
Zo kon je hem alvast niet zomaar in je verzameling goden opnemen door hem af en toe eens een offer te brengen. Om christen te worden moest je een langdurige voorbereiding ondergaan. Die duurde soms meerdere jaren. Daarbij waren er verschillende graden van inwijding. Doopsel, vormsel, communie et cetera. En die werden toegediend in rituelen die voor buitenstaanders verborgen werden gehouden. Bij elke volgende graad werd je wereldbeeld verder op de kop gezet. En in het christendom ging dat nog veel verder dan bij Mithras of bij de grote goden van Samothrake en dergelijke. Ten eerste moest je natuurlijk al voor die christelijke god al je oude goden opgeven. Hij verdroeg immers geen gezelschap. Al was die dan ook in zijn eentje met zijn drieën.
Dat alles was op zichzelf al heel verwarrend en nog niet eerder vertoond, maar het werd nog veel gekker. De idiootste absurditeiten werden ineens als de hoogste wijsheid gepresenteerd. Mensenlevens zijn kostbaar. Hoe verzin je het? Niet sterkte, maar zwakheid overwint de wereld. Totaal gestoord. Van geven word je rijker dan van nemen. Hoe maf wil je het hebben? Kracht en macht en dominantie vergaan alleen de liefde blijft. Kierewiet. En als klap op de vuurpijl het meest krankzinnige mysterie van het hele circus God is een verachte veroordeelde die volkomen hulpeloos crepeert aan een kruis. Het schrikbeeld van elke Romein. De meest afschuwelijke en verachtelijke dood die er is. De slavendood. Juist die wordt de manifestatie.
De troon van de absolute God. Het is eigenlijk heel wrang dat de Latijnse christelijke kerk die in feite opbloeide als een van de spirituele verzetsbewegingen tegen een door ambtelijke dorheid verdroogde godsdienst, uiteindelijk zelf in exact hetzelfde bedje ziek zou worden. Want in eerste instantie keerde de Romeinse overheid zich tegen de christenen. Ten eerste al omdat die weigerden de normale goden te aanbidden. Maar waarschijnlijk ook omdat er toch wel erg veel klassieke waarden werden omgedraaid in dat christendom. Daarom waren er vooral in de derde en het begin van de vierde eeuw golven van christenvervolging. Het resultaat was vooral dat alleen heel gemotiveerde mensen nog christen werden.
Of bleven. En dat leverde een weliswaar wat nerveuze, maar ook heel magische atmosfeer op. Maar toen draaide de wind voor de Kerk. In een eeuw tijd of zo veranderde het christendom van een verachte secte in de staatsgodsdienst van het rijk. Er werden grote en schitterende kerken gebouwd. En de geestelijkheid kreeg een steeds hogere status. En werd daarmee ook een mogelijke weg om maatschappelijk carrière te maken. Het eerst vielen natuurlijk de pausen en de bisschoppen daaraan ten prooi. Dat kon je zien aankomen. Dat werden, net als vroeger de heidense hogepriesterschappen, ambten die werden nagejaagd door machtige adellijke families. De paus werd, ironisch genoeg, zelfs pontifex genoemd. Dat er zo cynisch om die posities gevochten werd, bracht natuurlijk precies teweeg dat mensen die echt geestelijk begaafd waren zelden of nooit meer op zo’n bisschopszetel belandden.
Bij de priesters was dat effect wel minder extreem, maar ook daar kwam er wel erg veel kaf tussen het koren. Je kan dat de mensen ook eigenlijk niet eens kwalijk nemen. Soms was intreden in een klooster de enige manier om veiligheid en levensonderhoud te krijgen voor sommige mensen. Vaak was priester worden bijvoorbeeld ook de enige weg voor wie wilde studeren of reizen. Op den duur wilden veel katholieke gezinnen zelfs minstens één priester en één kloostersuster voortbrengen omdat dat een erezaak was geworden. Nou werd het met de Kerk nooit zo bont als met die oude Romeinse staatsgodsdienst. Naast mensen die in alle oprechtheid voor de kerk gekozen hadden om alle verkeerde redenen, bleven er ook altijd diep en authentiek gemotiveerde echte geestelijken.
Die vormden nogal eens een soort subcultuur op zichzelf binnen de kerk. De zalige Jan van Ruusbroec, onze grootste mystieke schrijver is daar een goed voorbeeld van. Hij was in de veertiende eeuw kapelaan in een stinkend deftige kapittelkerk in Brussel, waar alles draaide om status en carrière. Het riekte ernaar dat het een voortdurende soap was daar, waarin iedereen probeerde de anderen de loef te steken. Ruusbroec deed ondertussen geen enkele moeite om daaraan mee te doen. Hij concentreerde zich helemaal op het zoeken naar God. En daarbij zocht hij contacten op die door dezelfde passie gegrepen waren. Kluizenaars kartuizers, clarissen en begijnen nogal eens ook. Nou zei ik het al, dat was in de veertiende eeuw.
Maar zo heeft het voortgeduurd tot in het midden van de twintigste eeuw. Een hoop mensen in togen en habijten deden gewoon hun werk en geloofden het verder wel. Ze hadden geen bijzondere aanleg voor het religieuze en ook geen bijzondere interesse daarvoor. Voor een stevige minderheid onder hen was het een andere zaak. Die waren gegrepen door het mysterie en leefden daar ook naar. Dat het hele spulletje ondanks de wankelheid ervan en de stormen van de geschiedenis toch maar mooi overleefde tot dat midden van de twintigste eeuw. Dat mag wel een wonder heten. Maar toen kwamen dan toch die jaren negentienzestig. Die verstoorden het evenwicht en Gods kaartenhuis stortte in. Het eerst in Nederland.
Tegenwoordig wordt er vaak naar die tijd gekeken als een tijd van grote bevrijding en opluchting. En dat zal ook zeker gewoon een aspect daarvan zijn geweest. Om redenen die nu even buiten het onderwerp van dit filmpje liggen, waren de honderd jaar daarvoor namelijk heel verkrampt geweest. Daardoor was de spanning steeds verder opgelopen en de hypocrisie ook en die kwam nu tot een uitbarsting. Tegelijk kun je op geen enkele manier heen om het feit dat er onder al die ontwikkelingen toch vooral een bijna totale geloofscrisis schuilging. Anders zou het niet te verklaren zijn geweest dat de enorme hoeveelheid priesters en kloosterlingen simpelweg uittrad. Trouwden en vaak zelfs helemaal vervreemden van het christendom.
De priesters en religieuzen die bleven waren natuurlijk ten eerste de mensen met een echte religieuze roeping. Die altijd al gemotiveerd waren geweest door het verlangen naar God zelf. Maar er waren ook mensen voor wie de revolutie niks veranderd had aan de situatie die hen in het klooster of de pastorie had gebracht. Mensen die waren ingetreden omdat ze sociale beperkingen hadden bijvoorbeeld. En zich buiten het klooster of de kerk nauwelijks konden handhaven. En dan was er nog een grote groep homoseksuelen onder de geestelijken. Een gedeelte daarvan had ongetwijfeld gewoon een authentieke geestelijke roeping. En zat dus ook gewoon op zijn plek. Maar het kan niet anders of er waren er ook veel ooit mensen die de Kerk ingevlucht waren omdat ze niet konden voldoen aan wat er anders van hen verwacht zou worden.
Een gezinstichting. Ook die bleven vooralsnog waar ze waren. Hun emancipatie zat er immers wel aan te komen. Maar zou toen echt nog wel een paar decennia duren. Zeker buiten de Randstad. Je kan je wel voorstellen dat het residu dat achterbleef in de priesterlijke en kloosterlijke gelederen een merkwaardig mengsel moet zijn geweest. Bewonderenswaardig en deerniswekkend door elkaar. En vaak natuurlijk ook verenigd in één en dezelfde persoon. Alles wat menselijk is eigenlijk gewoon, maar dan uitvergroot. Omdat ook de meeste leekengelovigen al vrijwel onmiddellijk na de omslag ophielden de kerk serieus te nemen waren de geestelijke bovendien al snel al hun maatschappelijke status kwijt. en werden in het vervolg vooral nog met meewarigheid bejegend.
Zelfs door de mensen die nog wel naar de kerk gingen. Dat werd nog eens versterkt door de liturgievernieuwing. Die welhaast speciaal ontworpen leek om ze van hun sacrale waardigheid te ontdoen. Al snel werd zo het gebruikelijke beeld van de priester een wat vermoeide, uitgebluste en eenzame meneer gehuld in een gifgroen gordijn. Achter een multiplex keukentafel zong die met de laatst overgebleven gelovigen merendeels oma’s liedjes die steeds langer geleden ooit eens modieus hadden geklonken. Een tragisch archetype met andere woorden. Heel wat anders dan de geladen bemiddelaar tussen het hier en de andere wereld. De rest van de maatschappij had ondertussen nauwelijks in de gaten dat ze iets wezenlijks had verloren.
Het leven ging door alsof er niks van waarde was verdwenen. Dat kwam door de groeiende welvaart en de absurd lange periode van vrede en veiligheid na de Tweede Wereldoorlog. Die zorgde ervoor dat nadenken over hemel, hel, dood, oordeel oorlog, ziekte en de eeuwigheid voor de meeste mensen wel eventjes kon wachten. Dat dat de weg vrijmaakte voor een genadeloos en stiekem heel depressief nihilisme dat werd nauwelijks opgemerkt. Omdat het zo sluipenderwijs gebeurde ook. Het maakte ook dat wie nu nog een geestelijke roeping voelde wel heel sterk in de schoenen moest staan om die nog te volgen. Vroeger was het een aanleiding tot een feestje geweest als junior voor het eerst opperde dat hij misschien wel priester zou willen worden.
En nu was het eerder aanleiding voor een bezoek aan de psychiater. In de zeldzame gevallen dat het überhaupt nog voorkwam, werd er vaak door de ouders en de hele familie alles aan gedaan om zo’n lief op andere gedachten te brengen. En voor meisjes die zuster wilden worden, gold dat zo mogelijk nog sterker. Dus om nog maar even weer terug te komen op die tirades van paus Franciscus tegen dat klerikalisme. Die waren voor een man uit Zuid-Amerika misschien op dat moment nog wel begrijpelijk, maar voor Nederland al volkomen misplaatst. Zestig jaar eerder zou die zeker een punt hebben gehad. Toen was het zeker nog een ding. Lekengelovigen keken te veel op tegen priesters. En te veel priesters lieten zich dat niet alleen aanleunen, maar gingen ook nog eens geloven in hun eigen geweldigheid, met alle gevolgen van dien.
Juist omdat we ons er nu niks meer bij voor kunnen stellen, zal ik even schetsen hoe dat eruit zag. Klerikalisme bij lekengelovigen was een vorm van breinverschimmeling die de leken dan de vaste overtuiging bezorgde dat priesters ten opzichte van alle andere mensen superieur waren. En ook gelijk in alles. Dus niet alleen als het ging om het produceren van stichtelijke praat en het toedienen van sacramenten, want dat is logisch. Maar ook in politieke inzichten microbiologie, indisch koken, waterbeheer de behandeling van ratten en het verzinnen van breipatronen voor kabeltruien. Je kan het je nu nauwelijks nog voorstellen, maar dit soort gedrag bestond echt. Niet bij de meerderheid van de katholieken, maar het bestond wel.
In de jaren 90 was er al niet veel meer van over godzijdank. En sinds de misbruiksschandalen van de jaren 10 zijn priesters ongeveer de meest verachte mensen in heel de maatschappij. Want dat is afschuwelijk. En ook oneerlijk. Niemand verdient gestraft te worden voor de gruweldaden van een ander. Maar het is ook dodelijk voor het laatste restje klerikalisme onder leken. En daar zal je mij dan weer geen traan om zien laten. Even voor de duidelijkheid. Natuurlijk had je ook nog, ik zei het al klerikalisme onder de geestelijkheid zelf. En dat lijkt te zijn waar Paus Franciscus zich bijzonder zorgen om maakte. En inderdaad er was een categorie zwartrokken die vond dat je eigenlijk amper in staat was je eigen billen af te vegen als je niet minstens de diakenwijding had ontvangen.
Een klompje cellen dat in een koud en onverschillig wezenloos universum geworpen is. God de levende sprankeling die het zijn de moeite waard maakt. En die niet dwingt en intimideert maar zichzelf aan jou voert als voedsel. Omdat hij wil dat je leeft. In een wereld die voortdurend aandacht vreet en nooit stilstaat begin je al snel te snakken naar de bron. Naar stilte. Naar God.
Ik ben Pater Hugo. Als kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden breng ik mijn dagen grotendeels door in afzondering en gebed. Maar ik ben ook hier op het internet aanwezig om jou kennis te laten maken met de mystiek. Dat stuk van onze religieuze traditie dat ons leert dat heel onze wereld hangt aan het absolute. Dat jij en ik ons leven en bewustzijn elk moment van ons bestaan geschonken krijgen. Uit een bron die in bijna niks lijkt op het beeld dat de mensen meestal hebben van God. Maar die evengoed aanspreekbaar en benaderbaar is. Diep in diep in ons eigen innerlijk op de eerste plaats. Ik doe dat niet op basis van in de lucht hangende theorieën. Maar aan de hand van echte getuigenissen van echte mensen over hun Godservaringen.










