Door alle Bijbelverafgoding waar we mee te kampen hebben - daar heb ik het eerder al eens over gehad - is het lastig om nog onbevangen bezig te zijn met de Heilige Schrift. Dat is jammer, want die zit toch wel degelijk vol heerlijke geheimen en kan zelfs letterlijk betoverend zijn. Daar kun je alleen nauwelijks nog je mond over opentrekken zonder dat mensen al gelijk weer een lichtgroene teint krijgen en om een spuugbakje vragen. Voor de schoonheid en de heiligheid van de Bijbel zijn er bijna geen woorden meer te vinden die nog niet besmet zijn met de sfeer van het akelige, en meestal onoprechte gedweep ermee waar je overal tegenaan loopt. Daarom neem ik, om er tóch iets over te kunnen zeggen, mijn toevlucht tot dat ándere beroemde heilige boek. Ik bedoel natuurlijk ‘Het oneindige verhaal,’ van Michael Ende.
Het ‘Oneindige verhaal’ verscheen in 1979 en is een fantasy-boek. Het werd voor kinderen geschreven, maar de schrijver ervan was dermate briljant dat het ook voor volwassenen boeiende kost is.
Het speelt zich af in twee werelden. De onze, waarin wij leven en die wij maar al te goed kennen, en een andere, die Fantasia heet en die in feite opbloeit uit onze verbeelding. Traditioneel wordt het boek daarom uitgegeven in twee kleuren letters, donkerblauw en roestbruin.
Het verhaal begint in die roestbruine letters, en die vertellen wat er gebeurt in ónze wereld. Die waarin je elke dag je sokken aantrekt. Ze vertellen over Bastiaan, een dromerig jongetje dat veel te dik is, tenminste dat vinden de kinderen op zijn school. Niemand wil met hem bevriend zijn, en hij wordt gepest en geslagen. Op een regenachtige dag is hij weer eens op de vlucht voor een stel agressieve pestkoppen en duikt hij een winkel in om zich voor hen te verstoppen. Die winkel blijkt een antiquariaat te zijn, een winkel voor tweedehands boeken. Daar krijgt hij een plotselinge opwelling en steelt een geheimzinnig boek. Hij weet er ongezien mee weg te komen, maar daarna weet hij niet waar hij naartoe moet. Hij sluipt de school binnen waar hij in de les had moeten zitten en verstopt zich op de zolder. Hij installeert zich op een berg oude turnmatten begint te lezen. Vanaf daar gaat het verhaal verder in de donkerblauwe letters.
Die vertegenwoordigen de tekst ín het geheimzinnige boek. Dat is enorm, gebonden in rood fluweel en versierd met een ovalen medaillon op de voorkant. Dat draagt de titel ‘Het oneindige verhaal’ en wordt omkranst door twee slangen die elkaar in de staart bijten. Het boek gaat over het rijk Fantasia, dat oneindig is en zonder grenzen, maar toch een middelpunt heeft.
In dat middelpunt staat een ivoren toren waar ‘de kleine keizerin’ woont, een geheimzinnige oerkracht in de gestalte van een jong meisje. Fantasia, dat bevolkt wordt door alle fantasiewezens die je je maar voor kunt stellen - feeën en vampieren, trollen en dwaallichten, dwergen en reuzen ezovoort - is in gevaar. Overal wordt het land aangevreten door plekken waar niets meer is. Geen donker, geen grijs, geen verrotting, maar gewoon helemaal niets. Naar later blijkt komen alle fantasieën die in Fantasia door dat niets zijn opgeslokt, plaatsen en gebouwen, maar vooral wézens, in de roestbruine mensenwereld terecht. Maar niet als zichzelf, maar als leugens. Geperverteerde fantasieën dus.
Dat alles blijkt te komen omdat de kleine keizerin ziek is. Dat overkomt haar eens in de zoveel tijd, en ze kan alleen worden genezen als ze een nieuwe naam krijgt. Maar die kan dan weer alleen een kind uit ónze wereld haar geven. Een kind omdat alleen een kind nog fantasieën heeft waar geen spoortje onwaarachtigheid kleeft. Een kind uit ónze wereld omdat alle wezens van Fantasia zelf fantasieën zijn en fantasieën kunnen niet fantaseren. Dat snapt een kind.
De bewuste redder blijkt deze keer natuurlijk onze antiheld uit het roestbruine gedeelte van het boek te zijn, Bastiaan, de verlegen, dikkige jongen op de zolder van zijn school. En hij stelt niet teleur. Halverwege het boek geeft hij de kleine keizerin inderdaad een nieuwe naam. En dan gebeurt het ongelooflijke.
Ten eerste wordt natuurlijk het rijk Fantasia genezen en vernieuwd. Maar ook wordt Bastiaan zelf het boek in gezogen. Aan het einde van het liedje is niet alleen het land van de fabels gered en de kleine keizerin genezen, maar ook Bastiaan zelf een heel stuk volwassener en zelfverzekerder geworden.
Ik denk eigenlijk niet dat Michael Ende de Bijbel in zijn achterhoofd had bij het schrijven van het Oneindige Verhaal. Dan zou het waarschijnlijk ook nooit zo’n mooi boek zijn geworden, want opzettelijke allegorie en alles wat daarop lijkt wordt meestal vreselijk saai. Toch pakt de gelijkenis mij elke keer weer bij de strot.
Het boek dat Bastiaan uit het antiquariaat stal bleek uiteindelijk te zijn bedoeld om letterlijk binnen te gaan, in te kruipen. Daardoor veranderde niet alleen Bastiaan, maar ook het boek zelf. De ziel ervan kreeg een nieuwe naam en heel de wereld die erin besloten lag bloeide opnieuw op.
Dat is precies wat er ook met de Bijbel aan de hand is. Die is niet gemaakt om de mensenwereld in amber te gieten en op te sluiten in een staat van onveranderlijkheid. Ook niet om zelf in amber te worden gegoten. Om als een kostbaar afgodsbeeld in een vitrine te worden geconserveerd en daar verder tiranniek te liggen zijn.
Mits de Bijbel wordt aangenomen op de manier zoals hij bedoeld is, kan hij dienen als een soort poort naar Gods eigen ivoren toren en Gods eigen kleine keizerin. Want Gods eigen Fantasia hoeven we niet meer te zoeken: daar wonen wij al. Wij zijn er geboren en gaan er dood. Wij trekken er elke dag onze sokken aan. Maar de schoonheid ervan en het schaterende plezier waarmee God het in al zijn kinderlijke onbevangenheid heeft geschapen kunnen we er maar heel af en toe in terugvinden. Want net als het Fantasia in het boek van Michael Ende is ook het rijk waar wij wonen ziek. Een grijze wezenloosheid grijpt overal om zich heen. Die noemen we in onze traditie ‘zonde’ maar als je daar teveel mee bent doodgegooid is gewoon ‘wezenloosheid’ ook een prima woord.
Wezenloosheid vreet daar om zich heen waar je de schoonheid en de waarheid en de goedheid van de wereld en de mensen om je heen niet meer ziet. Als je geen dankbaarheid meer voelt, maar in plaats daarvan ontevreden honger.
Toen de wereld net geschapen was, en de mensen ook, kregen zij van God de taak alles een naam te geven. Met andere woorden: om zich over alles te verwonderen en daar stem aan te geven. De gave van de schepping werkelijk aan te nemen.
Het lijkt erop dat onze wereld nu weer een nieuwe naam nodig heeft
Eerder is de Bijbel bedoeld als brandstof voor onze reis naar de sterren, naar het rijk Gods. Niet voor niets wordt Gods woord overal in de Bijbel gegeten. In het Oude Testament door Ezechiël en Jeremia, en in het Nieuwe Testament door Johannes.
Nou is het zo dat wat je eet deel gaat uitmaken van je eigen wezen, van je eigen wereld, van je bestaan hier en nu. Maar daarvoor moet het wel ook worden verteerd. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt het geen vrucht voort. Daarom moet ook de Bijbel worden geconsumeerd om geen afgod te worden.
Als we de Bijbel niet langer een Onding willen laten zijn zullen we er anders mee om moeten springen. De tegenstrijdigheden erin niet verdoezelen, maar vieren als een uitnodiging om er vrij mee om te springen. Teksten die in het jaar driehonderd voor Christus geschreven zijn niet behandelen alsof hun geldingskracht hier en nu onveranderd zou kunnen zijn. De geestkracht die erin besloten ligt moet eerst door ons eigen bewustzijn worden getransformeerd om in onze wereld de creativiteit te kunnen dienen. Moet worden gegeten en gedronken om te kunnen spreken op zo’n manier dat er licht uit bloeit in plaats van verstarring.
Ten eerste kun je dat doen door niet alleen de Bijbel zelf te lezen, maar ook de verhalen en ideeën die de traditie daar later op heeft laten groeien. Het hoogtepunt van het christelijke voorstellingsvermogen tot nu toe ligt helemaal niet in de Bijbel. Dat is maar goed ook! Stel je voor dat je deel uit moet maken van een beschaving die tweeduizend jaar geleden al gepiekt zou hebben. Wat moet je hier dan nog? Lees dus de werken van de grote mystici, geniet van de kunst van Rafaël en Fra Angelico en ja, ook van die van de neogoten en zoeteplaatjesbakkers. Alles heeft zijn tijd en plaats. Laat je meevoeren door de muziek van Palestrina en de Gregoriaanse gezangen en de wonderlijke Hildegard.
Maar vooral: zoek een plaats waar de liturgie, dus het rituele vieren van de Kerk, nog echt wijding en mysterie mag zijn. Het meest kostbare wat we op dat terrein hebben is de zogenaamde ‘Oude Mis,’ maar die is vaak ontoegankelijk, zelfs waar ze gevierd wordt. Dat komt omdat ze vaak wordt opgedragen in extreem conservatieve en door politieke bijzaken gedomineerde gemeenschappen. In een monastieke setting heb je nog de beste kans daarvan verschoond te blijven, maar zo’n situatie doet zich in Nederland eigenlijk alleen ergens in het uiterste noordpuntje van Groningen voor. Daarom is het soms beter om een kerk te zoeken waar de moderne liturgie op een klassieke manier wordt gevierd. De abdij van Vaals is daarin de absolute kampioen, maar veel grote steden hebben ook wel een kerk waar dat gebeurt. Het is soms even zoeken, maar van levensbelang als je echt iets van Gods Woord wilt begrijpen. Want dat is geen boek, maar een Persoon. En Hij wacht niet op jou als een vlinder geplet tussen vellen papier, maar in de gestalte van de Sacramenten in de Kerk.










