Zo kennen wij dat wel. Die God is nogal eens nergens te bekennen, juist als je het benauwd hebt. ‘Waar is die God van jou?’ denk je dan. ‘En wat voor een Vader is dat?’
Het is de avond van Witte donderdag. Jezus ligt, in de steek gelaten, in het donker in een verlaten tuin te bidden. Hij is doodsbang. Morgen zal Hij afschuwelijk worden gemarteld en vermoord, en Hij wéét dat. “Laat het aan mij voorbijgaan!” schreeuwt Hij uit, tot God die Hij zijn Vader noemt. Maar die zogenaamde Vader zwijgt, in alle talen.
Dat lawaaierige zwijgen is de stem van de wanhoop waartegen Jezus hier aan het vechten is. En Hij dreigt dat gevecht te verliezen. Hij is maar een mens.
Maar dan, juist als Hij breekt, welt er een ander gebed uit Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.
Ik wil ook een engel om mij te troosten, als ik bang ben, of ziek, of als ik het echt niet meer weet. Hoe heeft Jezus die naar zich toe gelokt? En is dat alleen weggelegd voor mensen die stiekem tegelijk ook God zijn, of ook voor ons?
In deze video leg ik je uit wat hier gebeurt, en aan het einde geef ik je weer, net als vorige week, een oefening. Die gaat je niet in een vingerknip in een lichtgevend spook of een vliegende non veranderen, maar je wel helpen ruimte te maken voor wat het Heilige in jou zou kunnen doen. En dat zou je een enorme hoop benauwdheid kunnen schelen, als puntje bij paaltje komt. Enfin, aan het werk.
(Intro)
Welke vader laat zijn Kind nou zó alleen? Om niet te zeggen: welke vader loopt zijn eigen Kind nou zó te martelen? Want God laat Jezus niet alleen in de steek - en ook nog eens precies dán wanneer het er het meest op aankomt. Hij onttrekt Hem actief zijn troost.
Want dat zijn Zoon door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten, wordt bespuugd, wordt vernederd, wordt kapotgeslagen, wordt gekroond met doornen, wordt spiernaakt en krijsend aan een kruis getimmerd is duidelijk de wil van zijn Vader. Zelfs dat zijn moeder daarbij staat te kijken en niks kán - en dat Hij dat dan weer ziet, hoe haar hart met Hem sterft - dat is duidelijk de wil van zijn Vader. Dat zij zijn bloederige vel zonder ziel in haar schoot geworpen krijgt - dat is de wil van de Vader. Over dat alles is de traditie heel duidelijk.
Het hele verhaal is niet te snappen. Want was die Jezus Christus niet zélf van goddelijke natuur? Hoe kan God zichzelf smeken om Hem te komen redden en dan ook nog eens niet verhoord worden? Niet mijn wil, maar uw wil geschiede? Wat?
En dan uiteindelijk aan dat kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hoe?
Laten we, om niet alleen Jezus Christus, maar ook onszelf iets beter te begrijpen, maar even een stapje terugzetten.
Wij mensen zijn het meeste mens als wij liefhebben. We hebben het vaak niet eens in de gaten, maar meer nog dan zelf gelukkig zijn maakt het gelukkig maken van anderen ons gelukkig. De mensen van wie wij houden. De wereld waarin wij leven.
Maar die wereld werkt daar niet automatisch in mee. Soms lijkt het wel alsof ze er zelfs op uit is om zoveel mogelijk van ons zo snel mogelijk de dood in te jagen, liefst op een gruwelijke manier. Ziekten, aardbevingen, hongersnoden, het houdt nooit op.
Wijzelf werken trouwens ook niet zomaar mee. Zelfs als we van goede wil zijn gedragen we ons nogal eens heel egoïstisch, ten koste van iedereen om ons heen. Of het nou om geld, aandacht, eten, macht of seks gaat: het lijkt wel alsof we nooit verzadigd raken en nooit tevreden zijn.
Er zijn wetenschappers die zich opwerpen als een soort moderne priesters. Die zeggen dat dat allemaal komt omdat de wereld geschapen is door een nogal koude godin en haar hulpje, die Toeval en Evolutie heten. Die hebben de zaken zo geregeld dat alles wat leeft van nature maar op twee dingen gericht is: zichzelf in stand houden en zichzelf kopiëren. Ten koste, desnoods, van alles wat daarbij in de weg loopt. Zij zeggen dat dat nou eenmaal zo hoort.
Wij katholieken zeggen dat het helemaal niet zo hoort. Wij kijken zo graag naar alles wat er wél mooi en teder is aan de natuur en de mensheid. En menen daarin toch eerlijk, door alle ellende heen, iets van een oorspronkelijk idee van de schepping te kunnen zien.
Sterker nog: we hebben er heimwee naar. Het is alsof we er al ooit waren, maar op drift zijn geraakt. We hebben trouwens ook heimwee naar onszelf, maar dan onszelf zoals we bedoeld zijn. Want we zijn niet zomaar vanzelf onszelf. Daar is een vorm van groeien voor nodig. Een vorm van groeien die lang niet altijd goed afloopt en die trouwens soms überhaupt meer op een oorlog lijkt.
Want als we ons maar een beetje laten gaan beginnen we al snel wezenloos te graaien naar de behoeften die door het meest dierlijke in ons worden aangejaagd. Vreten, zuipen, neuken lijken het meest plat. Maar de voortdurende behoefte aan aandacht, eer, glorie en bevestiging is minstens net zo erg. En er zijn maar weinig van ons die dat zo wel prima vinden.
Het lijkt wel alsof we, telkens als we niet willen doen waar we zin in hebben, maar wat we eigenlijk ten diepste willen, we onszelf geweld aan moeten doen. Dat merken we bijvoorbeeld wanneer we écht enthousiast worden over iets dat ons dieper raakt dan onze onderbuik. Wanneer we ons bijvoorbeeld verliezen in gitaar spelen of wielrennen, en ons helemaal te pletter trainen en repeteren.
En vooral merken we het als we van iemand houden, en die willen verzorgen of voor ons winnen, redden of gewoon gelukkig zien worden.
Dan zijn we ineens in staat om alles wat we lekker of gemakkelijk vinden compleet te vergeten. Dan zijn we ineens wél in staat om, dwars door pijn en ellende, over alle grenzen van ons welbehagen, onze eigenliefde en ons zelfrespect heen te denderen.
Dat is precies wat hier gebeurt met die Jezus die in doodsangst in die tuin bloed ligt te zweten. Zijn vrienden, die Hij had meegenomen om Hem te troosten, waren in plaats daarvan keer op keer in slaap gevallen. Dat had zijn eenzaamheid eerder nog pijnlijker gemaakt. Maar Hij verwijt het hun niet. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak,’ zegt Hij, vergoeilijkend. Hij weet het, want Hij vecht in zichzelf tegen precies hetzelfde vlees.
In Christus zijn twee willen met elkaar aan het vechten: de goddelijke en de menselijke. De wil tot zelfbehoud en de wil tot zelfgave.
Zijn menselijke wil is bang voor het lijden en de dood, want zo is ze gemaakt en hoort ze te reageren. Zelfbehoud is de mens ingeschapen. Zelfs de meest volmaakte en heilige menselijke wil is afkerig van het lijden en de dood. Terecht. Want die horen helemaal niet te bestaan. Ze zijn niet geboren uit de wil van God maar uit de eigenwijsheid en het egoïsme van de mens en de scheefgroei van de schepping. Ze zijn uiteindelijk niet natuurlijk. Ze wortelen niet in Gods aanwezigheid - dus in het echte, het goede en het schone. Ze komen voort uit het ontbreken daarvan.
In gewone mensentaal: ‘de mens hangt aan het leven,’ en dat is maar goed ook. Toch zegt Christus ook dat alleen die mens het meest volmaakt bemint die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Er is, met andere woorden, een zelfloze wil die de menselijke wil tot zelfbehoud te boven gaat.
Als Christus dus in de Hof van Olijven uiteindelijk breekt en zegt: ‘Niet mijn wil, maar jouw wil,’ is dat stiekem geen falen, maar winnen. Zijn wil wordt Hem niet uit handen geslagen. Hij geeft die, heel bewust en uiteindelijk vrijwillig, aan de Vader. Hij brengt zijn menselijke wil actief in harmonie met zijn goddelijke wil.
Dat is de wil om ons uit het diepst van onze ellende te komen wegtrekken, ook als Hij daarvoor alles wat Hij is, van zijn waardigheid tot zijn bloed, tot de laatste druppel moet uitgieten.
Hij is geen mens geworden om te oordelen, maar om te redden. En wel door niet alleen vlees te worden, maar helemaal solidair met ons tot in het putje van onze ellende te kruipen. Christus wordt niet zomaar een mens, Hij wordt de Mens.
Hij kan dat omdat Hij van ons houdt. En beminnen doe je niet met je gevoelens, maar met je wil.
Pilatus toont ons dat kort en goed. Hij laat Jezus door zijn soldaten helemaal aan gort slaan, met doornen kronen en een spotmantel omhangen. In die toestand zet hij Hem op het balkon voor een woedende menigte en zegt, simpelweg: ‘zie de mens.’ Daarmee laat hij ze in de beste spiegel kijken die er maar mogelijk is. In Jezus’ toegetakelde gezicht zien ze het gezicht van hun eigen sadistische wreedheid, maar zonder dat ze het in de gaten hebben staan ze tegelijk te kijken naar het gelaat van zijn door en door liefdevolle wil. Die dit alles wil omdat Hij hen bemint.
Heeft Hij zich immers niet juist tot op dat vervloekte balkon gewaagd om hen uit deze hel op te komen halen? ‘Vergeef hen, Vader,’ zegt Hij dan ook, ‘want ze weten niet wat ze doen.
Even terug naar de donkere tuin op de Olijfberg. Wat gebeurt daar nou eigenlijk echt? De sleutel tot het hele verhaal is, dat de naam ‘Jezus’ ‘God is Redding’ betekent. In de hof van Olijven biedt Hij, biddend in doodsangst, zichzelf aan als Offer, als Gave. Dat wordt nogal eens verkeerd begrepen. Hij offert zich niet aan een wrokkige semitische onweersgod die toevallig ook nog zijn Vader is, en die Hem sadistisch mishandelt en vermoordt omdat Hij daar een soort satanisch genoegen aan beleeft. Hij offert zichzelf als medicijn voor de wrok zelf. Zijn uitgegoten Wezen geneest de wezenloosheid zelf.
Hij geeft zich, letterlijk met vereende krachten. Hij doet zichzelf het uiterste geweld aan. Hij dwingt ten eerste om alle aspecten van zijn ziel, van de laagste tot de hoogste, één te worden.
De laagste, de emoties, verlangens en driften, ballen zich samen tot wat wij het ‘hart’ noemen. Dat is het dierlijke deel, het deel dat de natuur heeft gemaakt om zichzelf ten koste van alles in stand te houden. Het hangt aan het leven. Het verzet zich uit alle macht. Jezus smeekt het, dwingt het, temt het uiteindelijk.
Zodra Hij het overmeesterd heeft, verenigt Hij het met de drie machten die zijn werkelijke zelf zijn. Als mens bestaat je eigenlijke wezen uit je grond, je bewustzijn en uiteindelijk je wil. Je wil, de kracht waarmee je liefhebt. En die wil geeft Hij weg aan de wil van de Vader.
Dat is wat we zien gebeuren in die donkere tuin met die eenzame Verlosser.
Goed. Tot zover Jezus in de hof van Olijven. Maar wat moet jíj daarmee? Want Jezus was stiekem God. Hij had, naast een menselijke, ook een goddelijke wil. Zoiets zou jij van jezelf niet durven beweren. Of wel soms?
Nou, je kon jezelf nog wel eens verrassen. Aan het begin van het boek Genesis staat er, al vrij vooraan, dat God de mens schiep naar zijn Beeld en gelijkenis. En dat Beeld is diezelfde Christus waar we het net over hadden. Je bent dus wel niet Onze Lieve Heer zelf, maar je bent toch wel gemaakt om op Hem te lijken.
Daar komt nog iets bij. We geloven dat het bestaan zelf een aspect van God is. Elk moment dat je bestaat, ontvang je dat bestaan dus uit God zelf. Bewustzijn is een ander aspect van God. Daar geldt dus hetzelfde voor. Elke milliseconde dat je wakker en aanwezig bent wordt je geschonken uit het Absolute. En je goede wil, de wil om gelukkig te zijn maar vooral ook gelukkig te maken, is nog weer een ander aspect van God. Dus ook die krijg je uit Hem.
Je ziel ligt zo voortdurend tegen God aan en wordt door Hem aan jou gegeven. Maar wel ook écht gegeven. Om vrij over te beschikken. God neemt haar niet terug, al hoopt Hij wel dat je haar uit jezelf teruggeeft. Zodat jij en God zó innig met elkaar verenigd raken, dat je geen onderscheid meer merkt.
Dat kan alleen als je doet wat je ten diepste wilt, en niet waar je zin in hebt. Dus niet doet waar je driften je toevallig naartoe drijven. En wat je ten diepste wil is precies die heimwee naar heilig zijn in een heilige wereld die ik daarstraks al even aanstipte. Beminnen en bemind worden.
Dat klinkt allemaal zalig - en dat is het uiteindelijk ook - maar nu nog niet. Wat je moet leren is wat de mystieken gelatenheid noemen. Dat klinkt in moderne oren een beetje alsof je je kop moet laten hangen en onverschillig moet worden en met je moet laten sollen. Maar dat is het juist niet.
Nogmaals: het is normaal en menselijk niet te willen lijden en sterven. Het is heel natuurlijk voor Jezus om te bidden: ‘neem dit van mij weg.’ Het is zijn lagere, natuurlijke menselijkheid die daar spreekt, en smeekt, en schreeuwt. Zijn emoties, zijn lichamelijke behoeften, zijn drift. Zelfs zijn platte, berekenende, gezonde verstand hoort daarbij.
Zijn overgave als Hij dan even later zegt ‘niet mijn wil, maar Jouw wil,’ ontkent die menselijkheid niet. Hij neemt haar zelfs heel serieus. Maar Hij neemt haar wel mee naar waar zijn hogere zelf, zijn grond, zijn bewustzijn en zijn wil, naartoe willen. En dat is: de wil van God doen.
Hij doet niet alsof Hij niks wil, maar legt wat Hij wil vrijwillig in de handen van de Vader.
Juist als Hij breekt, welt er de totale vrijheid in Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.
Die ‘gelatenheid,’ zoals dat heet, is het helemaal rusten in je vertrouwen op God. En daar hoef je niet God zelf voor te wezen. Daar wachten ook op jou engelen om je te troosten.
Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver die we hebben, verwoordt het zo:
“Jouw wil, niet mijn wil.” Toen Christus onze Heer zijn lijden naderde, zei Hij dat tegen zijn Vader in een nederig vernietigen van Zichzelf. En het was Hem het meest behaaglijke woord en het meest eervolle, en ons het meest heilzame, en de
Vader het meest beminnelijke, en de duivel het meest ergerlijke woord dat Christus ooit
sprak. Want door het wegschenken van zijn menselijke wil zijn wij gered.”
Oefening.
Goed, kunnen we dit ook zelf oefenen? Dat lijkt me heel goed mogelijk en ook niet zo ingewikkeld. Het hoeft ook niet onmiddellijk een doodsstrijd in de hof van Olijven te worden.
Neem simpelweg eens een minuut of vijf om je een situatie voor de geest te halen van nog niet al te lang geleden. Een situatie waarin je ergens absoluut geen zin in had, maar het toch wilde. Niet om een verplichting van buitenaf, omdat een ander je dwingt of loopt te drammen. Nee, jij hebt er geen zin in maar jij wil het tegelijk toch.
Er is bijvoorbeeld iemand in je omgeving die aandacht nodig heeft, maar heel eenzaam is en daardoor ratelt en enorm veel energie vraagt. Je hebt absoluut geen zin om die persoon te bellen, maar je doet het toch. Of krijg je jezelf gewoon niet zover?
Er is dus een conflict tussen je lagere vermogens, die jouw eigen welzijn en zelfbehoud op de eerste plaats stellen, en je hogere wil die zichzelf weg wil schenken.
Er wordt iemand op je werk of op school getreiterd. Dat gaat je aan het hart, maar als je ingrijpt maak je jezelf sociaal kwetsbaar. Je hebt absoluut geen zin om het conflict aan te gaan, maar als je eerlijk kijkt naar wat je eigenlijk écht wilt kom je erbij uit dat je het waarschijnlijk toch moet doen.
Precies hetzelfde.
Goed, verplaats je nu even grondig terug in de herinnering aan de situatie die je hiervoor hebt uitgekozen. Niet een van mijn voorbeelden, maar een innerlijk conflict dat je zelf hebt meegemaakt. Je had er geen zin in, maar je wilde het toch. Haal het je helemaal voor de geest en leg het nu langs het schema dat ik je nu ga beschrijven.
Dat wat in jou je eerste afkeer veroorzaakt van wat je eigenlijk moet doen, en eigenlijk ook wilt doen, zijn je emoties. Dat zijn roerselen in je gemoed die worden geroerd door je lagere vermogens. Dat zijn je begeerte, je ratio en je drift. Je ratio is, even voor de duidelijkheid, niet je echte intellect, maar meer je berekenende boerenslimheid. Die drie zijn totaal dierlijk en uit zichzelf alleen geïnteresseerd in het handhaven, voortplanten en welbehagen van jou als lichamelijk wezen. Ze zijn wel tot meer in staat, maar niet uit zichzelf. En nu, in deze situatie werken ze je tegen. Ze stuwen je naar zelfzuchtig gedrag dat je in deze situatie misselijk vindt. Je wil wat anders.
Gelukkig ben je niet willoos aan je emoties en je lagere vermogens overgeleverd. Want je hebt ook nog drie hogere vermogens. Je geheugen, je verstand en je wil.
En heel dat lagere spul dat je nu zo’n overlast bezorgt hangt in feite aan die hogere vermogens. Stel het je maar voor als een soort marionettentheater met drie verdiepingen. Je emoties hangen aan je lagere krachten, begeerte, ratio en drift. Die hangen weer aan je hogere krachten: geheugen, verstand en wil.
Wat je nu gaat doen is die touwtjes aantrekken en het hele theater samenballen in je hogere krachten. Eerst trek je je emoties aan zodat je goed beseft dat ze samenvallen met je dierlijke krachten. Ze lijken wel heel belangrijk en wereldschokkend, maar het zijn gewoon de impulsen van je zelfbehoud. Het zijn de prikkels waarmee je lagere krachten je aanzetten tot vechten, vluchten, vreten, zuipen, neuken.
Goed. Nu je ziet hoe het werkt is het misschien een ietsje makkelijker ze gewoon eventjes te laten razen zonder dat je je door ze mee laat sleuren. Misschien ook wel niet onmiddellijk. Het vergt oefening en geduld, zoals alles in dit leven.
Wat je nu gaat doen is dat hele kolkende en razende soepje van die emoties en die lagere krachten binnentrekken in je hogere vermogens. De begeerte met al het lekkers waar het naartoe stuwt trek je in het geheugen. De ratio met al zijn dubbele agenda’s in het intellect. De drift met zijn agressie en achterdocht in de wil.
Nou wil het dat die drie hogere krachten op de Personen van de goddelijke Drievuldigheid lijken. Je geheugen op de Vader, je intellect op de Zoon en je wil op de Heilige Geest. Je bent immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Je bent dus drie, net als Hij. Maar je bent ook één, net als Hij. Het stiekeme geheimpje van het leven is dat je in het diepste gaatje van je ziel voortdurend door Gods scheppende plezier aan jezelf geschonken wordt.
Zodra je nu heel dat poppentheater in jezelf hebt opgehesen en samengebald blijft eigenlijk alleen je wil over. Niet toevallig is dat ook de kracht waarmee je liefhebt.
Mocht het je nou lukken die wil vol vertrouwen in de handen van de goede God te laten, dan ben je in een warm nestje gevallen waar je getroost wordt door engelen.










