0:00
/
0:00
Transcript

De Sluier in de Duisternis

Waarom wij in de lijdenstijd onze beelden bedekken...

Wat is dit in godsnaam? Vanaf de vijfde zondag van de vasten verandert de kerk van een sacrale santenkraam in een godgewijd spookhuis. Een paarse grauwsluier breidt zich als een schimmel uit over alle kruizen en heiligen. God verliest zijn gezicht.

Waarom bedekken wij de laatste twee weken de beelden in de kerk met paarse doeken? Ik leg het je uit in deze video. Aan het einde zal ik ook nog een concrete oefening meegeven die ermee te maken heeft, en die je kunt opnemen in je gebedsmoment of meditatie.

(intro)

Waarom sluieren wij de beelden? Wij hebben dit gebruik al sinds de vroege middeleeuwen, maar niet veel mensen begrijpen het echt goed. Dat het bedoeld is om de feestelijkheid te dempen en zo ruimte te scheppen voor rouw en boete is wel duidelijk.

Maar waarom bedekken we dan zelfs de kruizen? Juist in de weken dat wij ons intensief met Jezus’ lijden proberen te verenigen verbergen wij de afbeeldingen die ons daar het meest aan doen denken.

Niet alleen alles wat blij en feestelijk maakt verdwijnt, maar ook alles wat je op het eerste gezicht juist zou kunnen helpen het lijden van Jezus te beleven. Waarom?

Het antwoord zal sommigen van jullie wel verbazen. Omdat sommige dingen nou eenmaal pas echt zichtbaar worden als je ze verbergt. Juist het meest wezenlijke valt nogal eens pas op als je het wegneemt. Er een doekje over gooit. Zo leer je jezelf om op een andere manier te gaan kijken en luisteren.

Het is niet zo vreemd als het lijkt: denk bijvoorbeeld maar eens aan hele constante, bescheiden geluiden. Het lage brommen van een koelkast of het zachte blazen van een ventilator. Die hoor je eigenlijk pas als ze plotseling wegvallen. Ze vallen pas op als je ze uitzet. Wat stil is het dan ineens!

Net zoiets is er aan de hand met de voortdurende, dragende aanwezigheid van God in zijn heiligdommen. Om die eventjes écht op te merken schakelen we de meest zichtbare tekens ervan even uit.

Als je echt wil snappen waar de Kerk in deze tijd mee bezig is zul je moeten luisteren naar de stem van de grote mystieken. Meer dan wie ook hebben juist zij zich geoefend in het laten zien van het onzienlijke en het onthullen van het verborgene.

Het beste beginnen we dan in dit geval bij een geheimzinnige figuur uit ongeveer de vijfde eeuw. Eigenlijk was hij een bedrieger, want hij gaf zich uit voor een figurant uit de Bijbel, Dionysius de Areopagiet, waarschijnlijk om zijn geschriften meer gezag te verlenen.

De vraag is of dat nou nodig was, want de inhoud van de geschriften die we nog van hem hebben is ontzagwekkend en volledig serieus te nemen. Dat weten we omdat ze in ons eigen leven direct ervaarbaar zijn. We kunnen het helemaal zelf controleren. We kunnen er in feite zelfs helemaal niet omheen.

Iedereen met een serieus innerlijk leven loopt te worstelen met het verwoorden en zelfs maar onthouden van wat hij beleeft als hij God benadert. Het is alsof een soort statische ruis die tegelijk bliksemend en pikdonker is zowel je geheugen als je taalgevoel in de war stuurt. Dionysius beschrijft het als volgt:

“Drievoudigheid, leid ons langs de rechte weg naar de hoogste top van de mystieke woorden. Boven het onkenbare en boven het licht waar de enkelvoudige, van niets afhankelijke en onveranderlijke mysteriën van het goddelijke Woord in gehuld gaan. In de verblindende duisternis van het zwijgen dat in mysteriën verborgen is. Waar zij in het diepste duister het meest meer dan stralend en meer lichtend zijn. En waar zij in het volstrekt ontastbare en onzichtbare de ogenloze denkkrachten doen overvloeien van overschone lichtglans.”

Dat zijn een hoop paradoxen op een hoop. Verblindende duisternis, stralend en lichtend diepste duister enzovoort. Toch brengen die evengoed een glasheldere boodschap over: om God te kunnen ontmoeten, om daar überhaupt ruimte voor te scheppen, zul je je normale manier van waarnemen en vooral ook inschatten en oordelen en streven moeten opschorten.

De wilde - maar ook heel knappe - Duitse mysticus Eckhart verwoordt het zo: wie ruimte wil maken voor God moet niks willen, niks weten en niks hebben.

Misschien ken je het wel: plotseling is er zo’n geheiligd moment dat het bidden niet alleen werkelijk lukt, maar dat je ook erváárt dat het lukt. Moeiteloos ben je je bewust van de tegenwoordigheid van God, en daarin ben je met Hem samen. Je koestert je in de troost van zijn aanwezigheid.

Maar dan begint je wil zich te bewegen. Een beetje zoals een kat die niet op schoot wil blijven liggen omdat hij plotseling iets heeft gehoord of heeft geroken. “Ik wil...” komt er in je op. “ik wil...” en onmiddellijk valt je bewustzijn uit de ervaring van de tegenwoordigheid van God.

Het gaat er niet om of je wil goed of verkeerd was. Het maakt niet uit of je wil goed was of niet. Of je nou net zat te willen te willen wat God wil, of zat te willen meer op Jezus te lijken of zat te willen meer vervuld te worden van de Heilige Geest. Het bewegen van je wil alleen was genoeg om je plotseling weer alleen te voelen. Je wil, hoe goed ook, is een middel geworden tussen jou en God, iets wat tussen jullie in zit.

Nog sterker geldt dat voor weten. Stel je voor: je ligt te badderen in Gods licht en denkt onwillekeurig: ‘wat heerlijk!’ Boem! Ineens lijkt het wel alsof het licht van God zelf zijn glans heeft verloren. Het heeft, zonder dat je het in de gaten had, ergens onderweg de gedaante van een grijze regendag aangenomen.

Dat komt omdat je het hebt zitten weten. Je hebt je een oordeel gevormd en in plaats van het licht van God zelf word je nu door het licht van je oordeel beschenen. En dat is een héél ander verhaal. Het maakt niet uit dat je oordeel helemaal positief was. Het is een middel, een beeld geworden tussen jou en God, iets wat bemiddelt. Het maakt de relatie tussen jullie twee onrechtstreeks.

Hebben is een nog radicalere werkelijkheid. Alles wat je hebt is niet God en neemt ruimte in beslag die God niet kan opvullen. Eckhart is heel radicaal in dit opzicht: Zelfs als je juist alleen nog ruimte hebt voor God heb je nog te veel. Het ideaal is zelfs geen ruimte meer te hebben, ook al is het dan voor God. Laat Hem in jou maar in zijn eigen ruimte werken. Laat Hem in jou in Zichzelf werken.

Dit klinkt bijna flauw, maar als je even kijkt naar hoe Eckhart zijn betoog opbouwt snap je wel waarom hij zelfs die stap nog nodig vindt. Onwillekeurig zijn er, hoe abstract hij ook te werk is gegaan, toch weer beelden ontstaan. Beelden van jou als poppetje, of als ziel - waar je je dan ook weer een beeld van vormt - waarin dan weer het beeld van een ruimte verschijnt. En die beelden zitten in de weg.

Wie God wil vinden moet zich hulpeloos in Hem durven verliezen. Het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen.

Laatst zat ik in een praatprogramma en op een gegeven moment ging het over het verschil tussen de authentieke, klassieke manier om de Mis op te dragen en de liturgie die tegenwoordig meestal wordt gebruikt. Die is opgesteld door een commissie in de jaren zestig.

Dat onderwerp ligt nogal gevoelig, en ik ging misschien een beetje over de schreef. De presentator vroeg mij waarmee ik dat nieuwe ritueel zou willen vergelijken, en spontaan zei ik: ‘Duplo.’ Daarmee wekte ik natuurlijk onbedoeld de indruk dat ik de moderne Mis maar een kleuterspelletje vond, wat echt wel horkerig zou zijn geweest. Veel mensen houden er immers oprecht van, vooral ouderen.

Ik bedoelde natuurlijk dat de moderne Mis uit blokken bestaat waaruit je kunt kiezen en die op allerlei manieren op elkaar passen. ‘En waar zou je de oude Mis dan mee vergelijken?’ zei de presentator op licht kritische toon. ‘Een bos,’ zei ik onmiddellijk. ‘Ah,’ zei hij. ‘Maar in een bos kan je ook verdwalen.’

Ik had daar achteraf anders op hebben willen reageren. Wat ik zei was weliswaar niet verkeerd of onoprecht, maar er lag een heel verhelderende waarheid voor het oprapen die ik op dat moment gewoon even miste.

Ik had moeten zeggen: ‘inderdaad, kun je in een bos verdwalen, en zo hoort het ook.’ God is niet ongevaarlijk. God is niet zonder risico. Als je je aan God toevertrouwt neem je op de koop toe dat je je ook aan Hem zou kunnen verwonden. Je zou zelfs aan Hem kunnen sterven. Je vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren omdat je Hem vertrouwt, maar garanties zijn er niet.

In ieder geval zal je in Hem moeten verdwalen. Wie wil groeien in God kan dat niet door zelf de touwtjes in handen te houden. Zelf zijn koers te bepalen en zijn eigen oriëntatie te volgen. Volwassen worden in dit opzicht betekent vreemd genoeg steeds onzelfstandiger worden.

Denk maar aan wat Jezus tegen de heilige Petrus zegt in het Johannesevangelie: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging waarheen je wilde, maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt.’

Toegepast op ons betekent dat inderdaad, met Eckhart, niks willen, niks weten, niks hebben.

Het Evangelie voegt er nog aan toe dat Jezus met deze woorden doelde op de dood waarmee Petrus God zou verheerlijken. Niet zomaar de dood die hij zou sterven, nee: de dood waarmee hij God zou verheerlijken.

Zelfs dat kunnen we toepassen op wat er van onze ziel wordt gevraagd als wij God willen ontmoeten. Weliswaar geloven wij christenen niet dat wij in God oplossen of vernietigd worden. In die zin moet je ‘dood’ hier figuurlijk lezen, niet letterlijk. Maar dan kun je verder toch wel zeggen dat, als wij zo met God in harmonie beginnen te klinken dat er tussen Hem en ons geen onderscheid meer te ervaren valt, je dat toch wel een vorm van sterven kunt noemen.

‘Om Hem te verheerlijken,’ schrijft Johannes. Dat is een ander woord voor beminnen, in dit geval. God beminnen met heel je hart, je verstand en al je krachten. Maar in Hem durven te verdwalen is wel het minste wat wij kunnen doen.

Jan van Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver aller tijden, verwoordt het als volgt:

“Hij moet zichzelf verloren hebben in een onmiddellijkheid en in een duisternis waarin alle schouwende mensen genietend verdwaald zijn. Zo dat hij zichzelf als schepsel nooit meer zou kunnen terugvinden. In de afgrond van die duisternissen, waarin de minnende ziel aan zichzelf gestorven is, daar begint de openbaring van God en het eeuwige leven.

In die duisternissen schijnt en wordt geboren een onbegrijpelijk licht dat maakt dat je het eeuwig leven kunt zien. Dat licht is de Zoon van God.”

En daarom versluieren wij in de laatste twee weken voor Pasen, het scharnier van de tijd, onze beelden. Niet zien. Niet weten. Niet hebben.

Goed. Kunnen we dat zelf ook oefenen? Dat denk ik absoluut, en ook nog eens op een hele simpele manier. Begin in de laatste twee weken voor Pasen eens wat tijd vrij te maken om God simpelweg te laten zijn wie Hij is.

Dat hoeft niet gelijk een uur te zijn: vijf of tien minuten is ook al wat. Neem in dat moment zoveel mogelijk afstand van je vertrouwde beeld van God. Ga niet voor een icoon of een kruisbeeld zitten. Gebruik niet de vertrouwde gebeden. Geen rozenkrans, geen Onze Vader, geen eer aan de Vader en geen Heilige Michaël verdedig ons in de strijd. Niks van dat alles. En ook niks anders, trouwens. Blijf gewoon in de leegte zitten wachten.

Wat er nu waarschijnlijk zal gaan gebeuren is dat er een zwerm van beelden in je opkomt. Misschien van God, misschien ook wel gewoon van je dagelijkse leven, de taken die op je liggen te wachten, herinneringen die je misschien hebt. Duw die niet met geweld weg, maar houd ze ook niet vast. Ga er niet binnen.

Keer je in plaats daarvan terug naar de leegte. Als je dat echt heel moeilijk vindt zou je kunnen overwegen eens actief te luisteren naar de stilte die op de achtergrond van waar je bent altijd wel ergens klinkt.

Als het goed is zou je in de eerste tijd dat je dit zo doet een gemis moeten voelen. De grap is nu dat die pijnlijke afwezigheid stiekem helemaal niet de leegte is, maar je eigen gehechtheid aan de beelden die je nu aan het loslaten bent.

Als je dit wat langer volhoudt is er een grote kans dat je de leegte die je voelt op een gegeven moment gaat ervaren als ruimte. Ruimte waarin van alles mogelijk is. Ruimte waarin je zalig zou kunnen verdwalen...

Een bijkomend voordeel is dat het goed zou kunnen dat als met Pasen de beelden weer worden onthuld, ze voor jou zullen aanvoelen als nieuw en opnieuw inspirerend op een andere manier. Zo kan het afwisselen van verbeelding en ontbeelding een echte motor worden voor zowel je creativiteit als je spirituele leven.

Ok, genoeg geleuterd. Ga en leef!

Discussion about this video

User's avatar

Ready for more?